Samenvattingen van de open lezingen die in 2006 gehouden zijn

Ideaal en werkelijkheid. Op zoek naar een betere wereld

De doopsgezinde gemeente heeft in februari en maart 2006 drie lezingen rond dit thema georganiseerd.

Beantwoordt onze werkelijkheid aan onze levensidealen (en aan die van de volgende generatie)?

Drie sprekers hebben vanuit hun eigen visie het thema toegelicht.

 

 

Woensdagavond 1 februari 2006

Utopisch denken en Plato's aristocratische heilstaat

Op 1 februari was de eerste lezing met drs. A. R. van Wijk, predikant van de Doopsgezinde Gemeente Amsterdam en rector van het Doopsgezind Seminarium te Amsterdam.

Hij nam ons eerst mee naar het oude Griekenland, waar Plato de ideale staat beschreef, en zelfs de gelegenheid kreeg deze in Syracuse daadwerkelijk vorm te geven. Het werd niet de gedroomde heilstaat.

Een utopische staat leidt gemakkelijk tot een totalitair regime. Dat hebben we tot in onze tijd gezien. Communistische idealen verwerden tot onmenselijke dictatuur. De bijbel richt (gelukkig) geen staten in, maar roept op tot het naleven van morele waarden, zoals de zorg voor de medemens.

Na de pauze vertelde ds. Van Wijk zeer humoristisch over zijn eigen ervaringen in de jaren 60, toen hij theologie studeerde, het marxisme op de universiteit domineerde en China een heilstaat leek.

 

 

Woensdagavond 1 maart 2006

Bijbels toekomstideaal en toekomstverwachting

De tweede open lezing op 1 maart ging over de toekomstverwachting in het Oude Testament en werd verzorgd door dr. H. Nobel, theoloog, predikant en docent aan de Noordelijke Hogeschool te Leeuwarden.

Eerst maakte hij enige inleidende opmerkingen.

- JHWH is de naam van God en wordt alleen eerbiedig uitgesproken.

- JHWH is de God van de menselijke geschiedenis, maar Hij staat Zelf boven de geschiedenis, is er geen onderdeel van .

- Bij de poly-theÔstische volken die IsraŽl omringen, speelt de eigenlijke geschiedenis zich af in de godenwereld. Mensen zijn hier marionetten van de goden.

In het mono-theÔstische IsraŽl speelt de geschiedenis zich af tussen JHWH en de mens. Denk bijvoorbeeld aan het gesprek tussen JHWH en Abraham over het lot van Sodom en Gomorra. Er is ruimte en verant≠woordelijkheid voor menselijk handelen (vrijheid).

- Bij de IsraŽl omringende volken is de mythe een belangrijk begrip. Een mythe is een voor de samenleving van mensen funderend verhaal en dient als richtsnoer voor de mens. In de mythologie ligt daarmee de hoofdlijn van de menselijke geschiedenis vast. Er is een cyclische geschiedenisopvatting, d.w.z. de geschiedenis herhaalt zich in grote lijnen steeds weer.

In de bijbelse eschatologie is de geschiedenis principieel open, ligt niet vast. Het eschatologische verhaal is funderend, maar open. Bijvoorbeeld, bij de roeping van Abram is fundamenteel dat hij zijn vertrouwde omgeving verlaat en op reis gaat. De bestemming (het eschatologische, het nieuwe) is echter onbekend. Dit nieuwe wordt onder woorden gebracht met beelden van het oude. Er is ruimte voor menselijk handelen en keuzen. Het leidt tot een lineaire geschiedenisopvatting, d.w.z. de geschiedenis heeft een begin en een eind. Dit is een belangrijk element in de toekomstverwachting van het Oude Testament.

- De verhalen van Genesis 1 t/m 11 kunnen worden opgevat als prototype verhalen. In het verhaal van de zondvloed wordt verteld dat JHWH besluit niet opnieuw een zondvloed te laten komen. Het verhaal wil zeggen dat JHWH een toekomst geeft en dat de cyclus van de natuur niet beslissend is voor de toekomst van de mens.

 

In het Oude Testament is er een veelheid en een diversiteit aan toekomstverwachtingen. De voorstellingen van de toekomst kunnen betrekking hebben op heil of onheil. Is het heil universeel of beperkt tot IsraŽl, of groepen daarbinnen?

De oorzaak voor de diversiteit ligt in het feit dat IsraŽl een lange geschiedenis heeft die beÔnvloed is door andere culturen en crises.

 

Er zijn in het Oude Testament verschillende tradities om over de zin van het bestaan te spreken.

- In de roeping van Abram is essentieel dat niet de bestemming (die vaag wordt omschreven als Ďhet land dat Ik u wijzen zal'), maar de relatie met God centraal staat. Abrams toekomst is onbekend, nieuw, maar hij vertrouwt God.

In het verhaal van het offer van Izašk is de kern, het durven vertrouwen dat de werkelijkheid elders ligt en niet een slaafs opvolgen van een opdracht.

Bij de roeping van Mozes wordt hem niet begrijpelijk gemaakt (geen uitgewerkte tactiek verstrekt over) hoe hij de IsraŽlieten uit Egypte moet leiden.

Het Ďteken' (de legitimatie) dat Mozes krijgt (Ex. 3:12) behoort bij het nieuwe, het onbekende. Dat wil zeggen, de legitimatie vindt pas plaats na de uittocht, in de toekomst. Dan brengt de legitimatie van God, IK BEN de God van Abraham, de God van Izašk en de God van Jacob Mozes niet verder. Voor Mozes is het kernpunt: is God mijn God? Kan ik Hem vertrouwen?

Vertrouwen op God is bijbels, dit is het sleutelwoord. Menselijke zekerheid is heidens, dit brengt de mensheid niet verder naar het Nieuwe. Als Mozes op God vertrouwt, kan de uittocht plaats vinden. Als Mozes voor zekerheid had gekozen, was hij in Egypte gebleven.

 

Zo is vertrouwen op God de basis van IsraŽls toekomstverwachting. Wanneer God de geschiedenis van de mensen binnentreedt, dat wil zeggen haar geslotenheid doorbreekt, dan is er sprake van ontmoeting. Toekomstverwachting heeft met deze beslissende ontmoeting te maken. Deze ontmoeting omvat een appŤl aan de mens. Er is pas toekomst als de mens ťcht vertrouwen heeft en ingaat op het onbegrijpelijke van Gods toekomst. De daadwerkelijk handelende God geeft de geschiedenis een doel.

 

Tijdens en na zijn lezing werden veel vragen gesteld aan Hans Nobel. Nobel ging op deze vragen in, vaak niet door antwoord te geven, maar door, in een Socratische interactie met de vragensteller, een aantal overwegingen naar voren te brengen.

De stof was voor hen die niet of minder thuis zijn in de theologie of het Oude Testament, wat pittig, maar het was een leerzame en boeiende avond, mede door de bevlogenheid en het enthousiasme van Hans Nobel.

 

Samenvatting door Heleen Kieft-van der Sande

 

 

Woensdagavond 29 maart 2006

Confrontatie van de huidige werkelijkheid met een meer idealistisch toekomstbeeld

De serie open lezingen werd 29 maart afgesloten met een voordracht van drs. L. Kooistra, filosoof en hoofdredacteur van het Friesch Dagblad, over utopie en werkelijkheid: Welke lessen kunnen worden geleerd uit de pogingen die in het verleden zijn gedaan om utopieŽn te realiseren? Waarom mislukt dat realiseren? En wat is het alternatief? Kunnen we ook op andere manieren denken en werken aan een betere wereld?

Kooistra ging op een praktische en realistische wijze op deze vragen in.

 

UtopieŽn zijn er altijd geweest. Er zijn altijd idealisten die utopische beelden hebben van de toekomst. Een utopie schetst een werkelijkheid die er niet is. Dat beeld kan betrekking hebben op de wereld als geheel (bijv. het nationaal-socialisme: een wereld zonder Joden; het marxisme/communisme: een wereld zonder uitbuiters). Het kan ook betrekking hebben op bepaalde sectoren van mens of maatschappij (bijv. de middenschool: alle kinderen krijgen gelijk onderwijs; de eugenetica: streeft naar de perfecte mens/een wereld zonder lijdende mens; de neurowetenschappen/psychofarmaca willen door middel van kennis van chemische processen de hersenfuncties beschrijven, voorspellen en besturen).

UtopieŽn zijn altijd gevaarlijk, geven een valse schets van de toekomst en de pogingen tot uitvoering kunnen veel schade aanrichten.

Elementen die met utopie te maken hebben zijn:

- Verlangen
- Totalitair karakter
- Autoritair/dwingend
- Radicaal
- Geloof in maakbaarheid
- Gewelddadig (fysiek of mentaal) in meer of mindere mate.

Opmerkingen.

Het verlangen heeft vaak een dogmatisch en ongenuanceerd karakter.

De realisering van de perfecte mens wordt thans (bij de huidige stand van wetenschap en techniek) bijna uitvoerbaar. Er wordt, ook in internationaal verband, zeer veel, onevenredig veel geld in het genetisch onderzoek gestopt.

UtopieŽn lopen, ondanks alle inspanningen, altijd stuk.

De volgende begeleidende opvattingen zijn heel belangrijk.

Voorbeeld 1. Mensbeeld.

J.J. Rousseau: de mens is van nature goed, maar wordt door de maatschappelijke structuur verstoord. Laat een kind in vrijheid opgroeien, dan zal een goede mensheid ontstaan. In dezelfde lijn ligt de bekende leus: open de scholen en sluit de gevangenissen.

Voorbeeld 2. De maakbaarheid van de maatschappij: de rol van de politieke macht.

Ook thans is de opvatting van de maakbaarheid zeer sterk. Als er ergens een incident is geweest, wordt er een minister ter verantwoording geroepen van wie verwacht wordt dat hij maatregelen neemt die herhaling onmogelijk maken. Onuitgesproken, wordt er van uitgegaan dat "de politiek" alles kan oplossen. Dat varieert van onderwijs, criminaliteit, cultuur tot economie en welvaart. Het resultaat gaat zeer ver. Het onderwijs wordt minutieus voorgeschreven; de minister van volksgezondheid beslist erover welke medicijnen mogen worden gebruikt. Hij heeft beslist dat wij een pakket zorg moeten kopen (maar zit persoonlijke aandacht van de arts ook in dat pakket?).

Kooistra meent dat liberalisering en vermarkting utopische trekken hebben.

 

Het totalitaire karakter van een utopie brengt met zich mee dat overtreders/ongelovigen moeten worden gecorrigeerd. Goed en kwaad wordt bepaald door de inhoud van de utopie.

De Frans/Joodse filosoof Finkerkraut heeft zich veel beziggehouden met het probleem van de utopie. Hij had veel belangstelling voor de persoon van Alexander Solzjenitsyn in het kader van de communistische utopie. Solzjenitsyn geloofde niet in de utopie van het communisme. Hij was daarom een belemmering voor de grote revolutie en werd als dissident gedefinieerd en behandeld. Finkerkraut merkt het voor hem wezenlijke punt op dat Solzjenitsyn de communistische machthebbers, ondanks hun vele misdaden, nooit heeft veroordeeld. Solzjenitsyn wist (in de bijbelse zin van "kennen") dat ook in zijn eigen "hart" een scheidslijn loopt tussen goed en slecht. Dit is een opvallend verschil met bijv. Rousseau die uitgaat van de van nature goede mens. Solzjenitsyn kijkt in zijn hart en zegt: ik zie goed en slecht en aanvaard dat als een niet uit te schakelen realiteit. Het slechte zit niet in de systemen, maar in het menselijke hart. Daarom is het bedenken van een systeem (utopie) nooit de oplossing om het utopisch verlangen te vervullen.

 

Het nadenken over verlangen is zeer oud. Het verlangen krijgt bij de oude Grieken veel aandacht en ook bij Augustinus is het prominent aanwezig.

Verlangen omvat verschillende aspecten. Je kunt o.a. naar troost, geborgenheid, zekerheid verlangen, die boven de mens uitgaan. Samenvattend zou je kunnen spreken over verlangen, als verlangen naar God. Onder andere Plato en Pythagoras spreken over verlangen om op God te willen lijken. Waarom willen Plato en de Atheners van zijn tijd op God lijken? Omdat we bij hem vandaan komen, antwoordt Plato. Het religieuze bij Plato is weinig bekend omdat de seculiere Plato-kenners het hebben veronachtzaamd.

Hoe kunnen we op God gaan lijken? Door de deugden te beoefenen, zegt Plato. Door het beoefenen van de deugden zal het goede in je hart worden gestimuleerd.

In de christelijke traditie komt dit ook voor bijv.: "Niet ik leef, maar Hij leeft in mij". Dan gaat God het leven beheersen en wordt het verlangen gestild.

Dit verlangen naar God zal niet leiden tot mislukking, is niet autoritair, maakt de wereld beter. Is dit te oefenen zoals Plato bedoelde? Kooistra meent dat het mogelijk is in groepsverband te oefenen in het op God lijken. Hoewel je als individueel mens verantwoordelijk bent voor je verlangen, werkt een groep aanstekelijk.

 

Het was een bijzondere en leerzame avond. Er werd veel aan de orde gesteld wat ons aan het denken zal zetten.

 

Samenvatting door Heleen Kieft-van der Sande

 

Naar:Samenvatting open lezingen 2007†† Terug naar:Activiteitenoverzicht†† Home