Samenvattingen van de open lezingen die in 2007 gehouden zijn

 

De deugden in ons midden

In januari, februari en maart werden in de doopsgezinde kerk in Haren drie open lezingen gehouden over de waarde van de deugden voor 'het goede leven'. De lezingen werden verzorgd door drs. L. Kooistra, filosoof en hoofd­redacteur van het Friesch Dagblad.

Deze serie lezingen kunnen worden gezien als vervolg op de open lezingen van 2006: 'Ideaal en werkelijkheid. Op zoek naar een betere wereld'.

 

 

Dinsdagavond 30 januari 2007

Deugden, bouwstenen voor de toekomst

Kooistra plaatste het Grieks filosofische begrip 'het goede leven' midden in de Nederlandse actualiteit. In zekere zin bevatten de verkiezingsprogramma's van de politieke partijen beloften voor 'het goede leven'. Elke politieke stroming legt daarbij weer andere accenten. De Sociaal Democratie legt het accent op minder ongelijkheid. Het Liberalisme legt de nadruk op een liberale economie waardoor er meer welvaart zal zijn. De Christen Democratie voorziet na een periode van bezuinigingen, een maatschappij met meer voor­spoed.

 

Het begrip 'het goede leven' is al zeer oud. Het komt al voor bij Plato, Aristoteles en de Stoïcijnen. Maar wat is 'het goede leven'? De Griekse filosofen bedoelden het zeker niet in materiële zin. De Grieken waren absoluut geen atheïsten. Voor Plato was het heel gewoon om, alvorens belangrijke onderwerpen te bespreken, eerst de goden aan te roepen. 'Het goede leven' had alles te maken met het geestelijke leven.

Ook voor de kerkvaders en Thomas van Aquino was 'het goede leven' een geestelijk leven voor het aangezicht van God.

Met de Verlichting ontstaat er een breuk. In deze denkstroming wordt de mens (het individu) mondig, autonoom. Het menselijke verstand, de Rede, is noodzakelijk en voldoende voor 'het goede leven'. De mens wordt zo onafhankelijk van traditie en autoriteit. Dat wil zeggen elke traditie en elke autoriteit (kerk, koning) heeft niet uit zichzelf gezag, maar moet de toets van het menselijke verstand doorstaan.

 

Het Liberalisme

Het Liberalisme is goed in het Verlichtingsdenken te herkennen:

De autonome mens behoeft vrijheid van meningsuiting.

Het individu staat centraal; het gezag van groepen moet worden verworpen.

Weinig overheid, weinig beperkingen en dwang.

Vrije mensen kunnen het beste zichzelf ontplooien.

 

Het Socialisme

Binnen het Socialisme zijn vele stromingen te onderscheiden: Marxisme, Trotskisme, Sociaal Democratie, Religieus Socialisme enz. Als kenmerk zou kunnen gelden: klassenstrijd (Marx). Langzamerhand neemt de Sociaal Democratie (P.v.d.A.) afstand van de marxistische beginselen: revolutie, overheidseigendom van de productiemiddelen. De Sociaal Democratie legt nu de nadruk op 'gelijke kansen voor iedereen'. Kooistra meent dat het Socialisme, meer dan het Liberalisme, een oprechte bewogenheid voor mensen heeft.

 

Christen Democratie

In de Christen Democratie zijn twee stromingen te onderscheiden nl. het rooms-katholieke sociaal denken en het protestants-christelijk sociaal denken. Overigens hebben deze stromingen gemeenschappelijke wortels nl. bij Thomas van Aquino.

De rooms-katholieke sociale leer is vooral in een aantal encyclieken opgenomen bijv. Rerum Novarum (over nieuwe dingen) uit 1891 en Gaudium et Spes (vreugde en hoop) uit 1965.

Van protestantse zijde valt te melden dat niet de kerk zelf zich direct met het sociale leven bezighoudt, maar die kerkleden die er beroepshalve of anderszins bij betrokken zijn. Te noemen valt het eerste christelijk sociaal congres van 1891 en de beweging het Réveil van o.a. Groen van Prinsterer (door de mensen van het Réveil zijn vele sociale werken verricht). Opmerkelijk is dat Abraham Kuyper de geestelijke armoede in de (Nederlands- Hervormde) kerk als een oorzaak van onrecht en ellende noemde. Ook deze stromingen hadden 'het goede leven' als doel.

 

In de 19e eeuw waren er, gemeten naar de maatstaven van 'het goede leven' veel misstanden in de samenleving: kinderarbeid, slavernij, arbeids- en woonomstandigheden enz. Maar ook nu zijn er veel misstanden bijv. m.b.t. vluchtelingen en allerlei vormen van verslaving. Een verschil is dat o.a. door de afbraak van het zuilenstelsel, de individualisering sterk is toegenomen. Het individu heeft daardoor alle verantwoordelijkheid naar zich toegetrokken. Dan wordt ook de vraag naar 'het goede leven' steeds meer individueel. Met name de Christen Democratie in de persoon van Balkenende is begonnen om 'het goede leven' in de vorm van normen en waarden op individueel niveau te bepleiten.

Echter normen zijn (objectieve) onpersoonlijke gedragsregels en waarden kunnen ontaarden tot (subjectief) irreëel idealisme.

De deugden in het midden, kunnen de nadelen van normen en waarden opheffen. Deugden doen een appèl op mijn persoonlijke verantwoordelijkheid. Dat doen normen in de zin van gedragsregels niet.

 

 

Dinsdagavond 30 januari 2007

Kardinale deugden

Kooistra ging in deze lezing nader in op het denken van de Stoïcijnen over goden, wereld en mens. Men stelde toen dat alles doortrokken was van een goddelijke logos. De aarde en de wereld zijn er als uitdrukking van de goddelijke logos. In die zin lijkt de mens op god. De menselijke logos participeert aan de goddelijke logos. Dit ging zover dat de Stoïcijnen meenden dat bijv. de structuur van de menselijke taal (grammatica) een uitdrukking was van de goddelijke logos. In dat kader is het dan vanzelfsprekend dat de mensen behoorden te leven volgens de goddelijke ordeningen. Het woord 'orthos' (rechtop, naar de goden gericht) geeft deze levenshouding weer. Het goddelijke is het criterium voor de waarheid. Het denken (filosofie) is gericht op het goddelijke en geeft zo toegang tot de waarheid. Zo zijn ook de deugden een uitdrukking van de goddelijke waarheid. Deugdzaam leven is leven zoals de goden willen dat we leven.

 

De kerkvaders van het vroege christendom waren omringd door de Griekse filosofie. De boodschap van het christendom werd m.b.v. de bestaande woorden (met een Grieks-filosofische betekenis) geformuleerd. De kerkvaders deden dat op verschillende manieren. De klassieke (kardinale) deugden: recht­vaardigheid, moed, matigheid en verstandigheid werden bijv. door Augustinus overkoepeld door de theologale (op God gerichte) deugden: geloof, hoop en liefde. Augustinus meende dat deze de werkelijke bron zijn van waaruit de mensen kunnen leven. Augustinus benadrukt sterk het kwaad dat heerst over mens en wereld. Daarom is volgens hem de Goddelijke genade nodig en is ootmoed de belangrijkste deugd. Zo kan ook de eenheid tussen de mensen gefundeerd worden in God. (Zoals de bijbeltekst die in het broederschapshuis Schoorl op de muur aangebracht is, zegt: Eén is uw meester en gij zijt allen broeders.)

 

Hoe zouden de deugden in onze tijd kunnen functioneren? Opvallend is dat men in protestantse kringen van oudsher gereserveerd staat tegenover deugden. In het rooms-katholieke leven nemen deugden daarentegen een prominente plaats in. Men gaat daarbij vooral terug op Thomas van Aquino die een pleitbezorger van deugden was. Kooistra meent dat deugden vandaag belangrijk kunnen worden. Uitgaand van de eeuwige vraag: Hoe moeten we leven? kunnen deugden, meer nog dan normen en waarden, een belangrijke rol vervullen. Deugden hebben Grieks-filosofische wortels. Voor christenen kunnen deugden een overgang zijn van de theologische woorden naar de praktische toepassing in het dagelijkse leven. Deugden kun je Ieren en moet je oefenen. In de opvoeding, maar ook daarna, zijn voorbeelden essentieel. Deugden leggen de verantwoordelijkheid voor je handelen bij jezelf en zijn in die zin individueel. Deugden zijn niet wettisch. Iemand die de regels van een protocol opvolgt, meent niet verantwoordelijk te zijn, maar leeft niet deugdzaam. Deugden zijn op de praktijk toegesneden. Met behulp van deugden kan ik in iedere situatie, trefzeker, doelgericht en met een zeker genoegen, het goede doen.

 

 

Dinsdagavond 30 januari 2007

Deugdelijk (samen)leven een utopie?

Ten tijde van de bloeitijd van de Griekse filosofie leefden de Grieken dichter bij de goden dan wij ons nu kunnen voorstellen. Ook de leefomgeving en de sterren hadden alles met de goden te maken. Plato was van mening dat de mens bij de goden vandaan kwam en dat theoretische kennis eigenlijk bestond uit herinneringen uit die periode. Aristoteles vraagt naar het wezen van de dingen en geeft heldere definities. De deugd is, volgens Aristoteles, datgene wat de mens en de werkelijkheid 'goed' maakt. En 'goed' beschrijft Aristoteles met het woord Telos: dat mens en werkelijkheid tot hun doel/bestemming komen. Het goede leven (eudaimonia) is volgens Aristoteles enerzijds het schouwen (theoria) van de éne, onveranderlijke waarheid, anderzijds het juiste handelen.

In de tijd van de kerkvaders wordt nagedacht over het goede en kwade in mens en omgeving. Augustinus is daar radicaal in. De mens leeft uit de Goddelijke genade. Het goede dat in ons is, heeft God zonder ons bewerkt. Dat is ook het kader waarin Augustinus de deugden plaatst. De geneigdheid van de mens tot het kwade behandelt Augustinus niet als een noodlot of excuus, maar als een bewijs voor de noodzaak van en oproep tot wedergeboorte en leven door de Goddelijke Geest.

De Stoïcijnen spraken over het hoogste deel van de ziel (hegemonikon), waardoor het contact met de goden mogelijk was. Het was volgens hen dankzij de goden mogelijk te onderscheiden tussen waar en niet waar en de éne waarheid te kennen.

In onze tijd is de autonomie van de mens alom aanvaard. Dit heeft echter ook een grote onzekerheid met zich meegebracht. Kooistra ziet de diverse cursussen over 'Hoe moet ik goed handelen' bijv. in de opvoeding, als een uiting van die onzekerheid en een behoefte aan voorbeelden.

De opvattingen van de Stoïcijnen en de kerkvaders kunnen we terugvinden bij Alanus ab Insulis (kathedraal van Chartres, 12e eeuw). De gedachten van Alanus over kennis en zelfkennis zijn bewaard gebleven. Volgens Alanus kunnen we onszelf alleen kennen als we Christus kennen. Voor zelfkennis moet Christus in je zijn. Zoals Psalm 139 zegt: Heer, u doorgrondt mij en kent mij. Hierbij zou gedacht kunnen worden aan het kennen in situaties die je zelf (nog) niet hebt meegemaakt. Alanus meent dat het moeilijk is tot deze geestelijke zelfkennis te komen. Hij noemt twee barrières op deze weg. 1) Te gering van onszelf denken; dit verlamt het handelen. 2) Te groot van onszelf denken; hoogmoed, trots, ijdelheid. Alanus meent dat door het kennen van Christus de zekerheid van het midden kan worden verkregen. Op die weg kunnen we m.b.v. deugden worden geholpen naar zelfkennis. Alanus zegt dat Maria, door de Annunciatie (aankondiging van de geboorte van Jezus), deugden ontwikkelde die haar geschikt maakten voor de inwoning van God. Mensen moeten worden als Maria, dan zijn ze ook geschikt voor de inwoning van God. Dan ontvangen ze het goede zicht op mensen en dingen. Hij beschrijft de mens als een burcht van Christus. Deze burcht is opgebouwd uit deugden. De mens is dan door deugden als deemoed (burgwal), stand­vastigheid (muur), moed (toren), kracht van de Geest (bolwerk) bestand tegen de aanvallen van de duivel, vooral tegen de aanval van de hoogmoed. Hoogmoed leidt tot zinsbegoocheling. Hoogmoed beïnvloedt het denken. Wie verkeerd denkt, komt nooit uit bij het goede. Door hoogmoed ontstaat een vertekende kijk op jezelf en op de werkelijkheid (in geestelijke zin). Er wordt dan een werkelijkheid gevormd die niet bestaat.

De (geestelijke) werkelijkheid waar de Grieken over spraken beschouwden ze als een objectieve werkelijkheid. Paulus spreekt daar eveneens over. Voor ons is het bijna onmogelijk om over een objectieve (geestelijke) werkelijkheid te spreken en te denken. Ook Lesslie Newbigin die enkele decennia geleden geruime tijd in de sloppenwijken van New Delhi heeft gewerkt, spreekt vanuit die ervaring over een objectieve werkelijkheid in Christus. Hij getuigt van Christus als een persoonlijke objectieve kracht in zijn leven.

Kooistra vat dit als volgt samen:

'Christus in ons hart' leidt tot zelfkennis; Christus in de harten van andere mensen leidt tot herkenning en broederschap. God kan een concrete werkelijkheid zijn in ons leven. Voor ons is dat erg onwennig. Maar door oefening in denken en spreken, kunnen hiervoor woorden worden gevonden. We moeten niet denken dat geloof een koopje is. Geloof vraagt intensieve oefening, tijd en prioriteit. De vergelijking met topsport werd al door Paulus gemaakt. Het ontwikkelen van de deugden is inspannend en vraagt toewijding. Een onderdeel van die toewijding is het gebed. Kooistra wijst op ontwikkelingen in de P.K.N. in Doijum (bij Franeker) en de P.K.N. in Drachten. Het bijzondere daar is dat men bezig is met het vinden van woorden voor het geestelijke en het vinden van de echte werkelijkheid. Kooistra meent dat dit eigenlijk de enige weg is: het beoefenen van de deugden door het wonen in de burcht van Christus. Vanuit de werkelijkheid van Christus wordt duidelijk wie wij zijn, wie de ander is en wat de werkelijkheid is. Wat dat laatste betreft, signaleert Kooistra dat we steeds meer in een andere, een design werkelijkheid worden geleefd. Bijvoorbeeld in de reclame wordt een ideaal beeld van de vrouw gecreëerd; eveneens voor de ideale keuken, de ideale vakantie enz. Als consumenten, die hierop ingaan, geven we veel geld uit aan deze schijnwerelden. Ook via enquêtes en verkiezings­campagnes wordt een schijnwereld of een schijnpersoonlijkheid ontworpen.

Als we in die schijnwerelden leven, komen we niet meer aan het Griekse 'telos' toe: Waar gaat het eigenlijk om in dit leven? Met behulp van deugden kunnen we de schijnwerelden kritisch beoordelen. In navolging van Alanus kunnen we Christus daarbij niet missen om te weten wat de werkelijkheid is, wat waar is, wat goed is.

 

Samenvattingen door Heleen Kieft-van der Sande

 

Naar:  Samenvatting open lezingen 2006   Terug naar:  Activiteitenoverzicht    Home