Verslag Jubileumactiviteit dinsdagavond 5 februari 2008

Open lezing prof. Arjo Klamer “Overvloed en onbehagen”

Hoe gelukkig bent u?

Met deze vraag wendde prof. Klamer zich tot de aanwezigen in de volle kerk, zoals hij steeds in dialoog bleef met zijn gehoor. De antwoorden varieerden tussen 7 en 9 op een schaal van 10, maar gingen vergezeld van een aantal kant­tekeningen. Deze hadden be­trek­king op een aantal minder gelukkige ervaringen en bedenkingen.

Wat is er aan de hand?

“We” (Nederlanders) zijn rijker dan ooit. Op de inwoners van IJsland en Denemarken na, zijn wij de geluk­kig­ste mensen ter wereld; inwoners van Kroatië hebben een laag geluksgevoel (gegevens SCP).

Maar er klopt iets niet.

Het wordt ook kouder en killer. Er is minder solidariteit. De mensen raken vervreemd van de maatschappij. Bijvoorbeeld door: directe ervaringen met de vreemde gewoonten en gebruiken van allochtonen, de vreemde verwerping van de ‘Europese grondwet’.

Hoe kan dat?

Eén van de uitgangspunten van het economisch denken is: meer is beter en meer maakt gelukkiger.

De feiten met betrekking tot de situatie van nu zijn, dat we wel economisch groeien, maar dat we niet gelukkiger worden (geluksgevoel neemt zelfs iets af). We leven nu beter dan de keizers van ± 1900. In de vorm van de moderne nutsvoorzieningen hebben we nu het equivalent van ± 1500 slaven en 80 paarden. De informatievoorziening is onver­ge­lijk­baar.

Dit probleem vraagt om een andere manier van denken.

Terugblikkend zien we dat er tot de 16e eeuw geen of nauwelijks econo­mische groei was. Pas in de 18e eeuw werd groei als een doel gezien (Turgot).

Dit is thans algemeen geaccepteerd. We hebben de economische waarden centraal gesteld. Ook in het socialisme wordt  economische groei ge­accep­teerd (met het accent op een min of meer gelijke verdeling). Ook economen als Pen en Tinbergen met veel aandacht voor de ont­wik­kelings­problematiek en voor het thema welvaart – welzijn, beschouwden eco­no­mische groei als een oplossing voor de problemen.

Samenvattend stelt prof. Klamer dat in bepaalde historische fasen eco­no­mische groei gelukkiger maakte, maar dat we nu totalitair-economisch zijn gaan denken. Bijvoorbeeld: in de zorg is een patiënt nu een zorgvrager, een ziekenhuis een zorgaanbieder; als de zorghandelingen in de voorgeschreven tijd geleverd zijn, is het doel gehaald. In het onderwijs gebeurt iets der­gelijks. Een student is een klant; een docent is een leverancier van diensten; men spreekt van een (kwantitatief) rendement van een universiteit. De universiteit is zo een fabriek geworden. [Prof. Klamer heeft mede daarom een nieuwe universiteit opgericht: Academia Vitae in Deventer]. Omdat de manager/econoom geen des­kun­dige in het vakgebied is, is een vergaande (kwantitatieve) afreken­cultuur ontstaan, werknemers worden afgerekend op hun productie en niet op de kwaliteit van hun werk.

 

Prof. Klamer denkt dat dit economisch denken nu op zijn hoogtepunt is; hij gelooft en hoopt op een verandering. Toch wordt het concept van de vrije markt nog steeds, ook door politici, toegepast op gebieden die zich daar niet voor lenen. Bijvoorbeeld op het gebied van rechtspraak en politie.

Vooralsnog lopen de mensen die veranderingen willen tegen een muur.

Doel van de lezing van prof. Klamer is een aantal begrippen en overwegingen te presenteren, waardoor het mogelijk wordt een weerwoord op het economische denken te geven.

 

Het alternatief moet overtuigend uit­gewerkt worden. Prof. Klamer noemt daarbij een aantal belangrijke elementen:

·        Het economische is een instrument of een middel om iets anders te realiseren (het is dus geen doel in zichzelf).

·        Mensen zijn sociale wezens.

·        Sociale contacten/vriend­schap­pen krijg je niet zomaar; je moet er wat/veel voor doen (weder­kerig­heid).

·        ‘common goods’: publieke ‘goe­deren’ zoals wegen, dijken, douane, rechtspraak en sociale ‘goederen’ zoals vriendschap, gezin, kun je niet kopen of ver­kopen.

·        Ook een goede samenleving krijg je niet zomaar; je moet er veel voor doen.

·        Mensen zijn spirituele wezens; daardoor ontstaat cultuur.

·        Het spirituele: god, zin, inspira­tie, doel.

 

Het maatschappelijk onbehagen dat er ondanks de goede economische situatie is, brengt prof. Klamer in verband met het verlies aan sociale, spirituele en culturele waarden.

 

Wat ligt aan de basis van ons bestaan? Dat is de oikos (huis). Jouw oikos is de wereld waarmee je verbonden bent. In de eerste levensjaren is dat moeder, vader, gezin, ouderlijk huis, ont­moetingen in de buurt; de lots­ver­bondenheid.

De logica van de oikos (liefde, zorgzaamheid) verschilt van de logica van de markt (op de markt heerst geen moraal, maar heersen eco­no­mische wetten) en van de logica van de overheid (wetten, ver­ordenin­gen, regels). Een voorbeeld: als een mede­werker van een bedrijf ontslagen wordt, dan kan dat gezien worden als een zakelijke transactie (logica van de markt); maar de betreffende persoon kan dat als een belediging ervaren, zich gekrenkt voelen (logica van de oikos).

Prof. Klamer hoopt op een andere wereld. Dat is niet een wereld zonder markt en overheid. Maar de wereld moet in de sfeer van de oikos geworteld zijn. De hele maatschappij zal dan doortrokken zijn met geloof, hoop en liefde. Dan ontstaat er een andere markt en een andere overheid.

De kracht van die andere wereld zal zo in de oikos rusten.

 

Heleen Kieft-van der Sande

 

Naar:  Jubileumactiviteiten    Alle activiteiten    Eerdere open lezingen    Home