Open lezing dr. Eginhard Meijering op 24 maart 2009

 

Koersen op weg naar de toekomst

 

Dr. Eginhard Meijering is remonstrants theoloog, oud-lector aan de Universiteit Leiden en van het Remonstrants Seminarium, schrijver van o.a. Het Nederlands christendom in de twintigste eeuw en Het roer moet om.

De 20e eeuw is een periode van ingrijpende veranderingen voor het grootste deel van de mensheid geweest. Ingrijpend in positieve, maar ook in negatieve zin.

Dr. Meijering schetste ons de geestelijke ontwikkeling in deze periode. We kunnen daarbij bijv. denken aan het toenemen van geestelijke vrijheid, autonomie, relativeren van gezag en absolute waarheid. Mede daardoor ontwikkelt zich een grotere behoefte aan spiritualiteit en zingeving.

Deze geestelijke ontwikkeling is ook voor onze tijd van wezenlijk belang. De kerk wordt nu geconfronteerd met de vraag hoe ze daarop zal reageren. Moet ze, als antwoord, de eigen boodschap van het christelijk geloof vertolken, onafhankelijk van de vraag of deze wel populair is of niet? Of moet ze inspelen op de ontstane behoeften van mensen.

En is dat mogelijk zonder dat de kerk haar identiteit verliest en stuurloos wordt?

 

Verslag van de lezing door Heleen Kieft-van der Sande

 

Tegen het einde van de 19e eeuw was Nederland in overgrote meerderheid een christelijk land. De christenheid was onderling sterk verdeeld. Primair was er het onderscheid tussen rooms-katholieken en protestanten. Binnen het protestantisme konden een aantal hoofdgroepen worden onderscheiden: modernen, vrijzinnigen, orthodoxen en rechtzinnigen. De 20e eeuw laat een afname zien van het aantal christenen als percentage van de Nederlandse bevolking. In het Interbellum werd Nederland in politieke zin nog gedomineerd door kerkelijke christenen. Binnen deze verzameling was er echter een grote diversiteit in geloofsopvattingen. Op basis daarvan ontstonden kerkelijke en maatschappelijke organisaties: verzuiling.

Na de 2e wereldoorlog werd er vernieuwing bepleit. Dat betekende in feite: doorbreking van de verzuiling. Vooral vanuit de top van de Nederlandse Hervormde kerk werd met een theologisch motief in politieke zin een doorbraak naar de Partij van de Arbeid als niet-confessionele partij bepleit; niet weer een eigen club, maar dienst aan de wereld. Dit streven is voor het grootste deel mislukt. Geconcludeerd moet worden dat er kort na de 2e wereldoorlog geen grote veranderingen zijn geweest.

De studentenrevolutie van de 60-er jaren in Europa en de V.S. heeft wel grote veranderingen voortgebracht. In Nederland had deze revolutie overigens een sterk anti-kerkelijk en anti-autoritair karakter. Hoe reageerden de gevestigde kerken op de nieuwe ontwikkelingen? In theologische zin gingen de kerken meedoen. Ze beschouwden de revolutie als bevrijding. In dit verband waren de belangrijkste theologische veranderingen: 1) God is niet almachtig, 2) het ontstaan van de ‘God is dood’ theologie, 3) een beperken van het geloof tot wat maatschappelijk relevant is. Deze veranderingen blijken bijv. uit het maanblad Wending. Daarin komt de nieuwe opvatting naar voren dat Christus nodig is, niet later en boven, maar nu en hier. Er wordt gepleit voor een radicale politieke ethiek: structurele veranderingen van de maatschappij zijn nodig. Meestal worden gewelddadige revoluties afgewezen. Er is echter wel begrip voor het kiezen voor geweld in politieke situaties van een beleid van onderdrukking (Zuid Amerika, Zuid Afrika).

Theologisch tekenen zich in Nederland twee stromingen af: die van de bevrijdingstheologie en die van de maatschappelijke veranderingen (maatschappijkritiek). Er ontstaat een sterke vredesbeweging. Dit is vanouds een belangrijk kenmerk van de doopsgezinde broederschap. Toch gingen de doopsgezinde gemeenten niet groeien. Je zou op een bepaald moment kunnen zeggen dat ze overbodig werden: de zgn. wet van de remmende voorsprong. In andere kerken (Ned. Hervormd, gereformeerd, remonstrants) ontstonden in die periode bittere discussies en een sterke polarisatie. De top was vaak progressief, de achterban niet.

In een boek van Kuitert (Alles is politiek, maar politiek is niet alles), dat tegen het monopolie van het maatschappijkritische (denken en handelen) is gericht, wordt dit probleem onder woorden gebracht. Hij zegt: In de theologie kent men het begrip heil. Dit begrip moet men niet laten opgaan in welzijn. Heil heeft te maken met God en geloof. Welzijn is betrokken op mens en maatschappij.

In de jaren na 1990 worden geloof en theologie sterk gepsychologiseerd. Er ontstaat grote belangstelling voor het innerlijk van de mens. Men zegt bijv.: God is niet buiten ons maar binnen in ons, of: God gebeurt. De jeugd is niet massaal bij de vrijzinnige gemeenschappen te vinden. De jeugd is sterk op beleving gericht: de evangelische beweging, de brede activiteiten van de E.O., maar ook in het rechtzinnig protestantisme. De vraag rijst: Wat te doen? Hoe te doen?

Welke doopsgezinde gemeente groeit? D.G. Ouddorp (Z.H.). Waarom? Daar wordt in een omgeving van strakke rechtzinnigheid, de inhoud van het christelijk geloof beleden en wordt het accent gelegd op vrijheid binnen dat klassieke christendom. Maar de nabij gelegen remonstrantse gemeente in Sommelsdijk groeit niet. Daar heeft men voor een breed religieuze aanpak gekozen. De symbolen van jodendom en islam zijn in het gemeenteblad opgenomen. Dr. Meijering meent dat zonder een naburig orthodox christendom de vrijzinnigheid een moeizaam bestaan zal leiden. De taak van de gemeente moet zijn: behoud het klassieke christendom in een laagkerkelijke, toegankelijke vorm.

 

In de bespreking na de lezing lag het accent meer op de toekomst en de toekomstperspectieven.

- Op de vraag: Je zou verwachten dat degenen die de traditionele grote kerken verlaten, in doopsgezinde gemeenten met hun ‘vrij in het christelijk geloven’, een aantrekkelijk alternatief zouden zien. Waarom wordt die overstap in de praktijk zelden gemaakt; liggen daar geen mogelijkheden voor ons?

Is het antwoord: Wie zich eenmaal heeft losgemaakt van ‘de kerk’, heeft geen behoefte zich elders weer te binden. Ouddorp, waar men zich moeilijk helemaal losmaakt van de kerk, is een bijzonder geval. In het algemeen laat men het instituut ‘kerk’ definitief achter zich.

Nog enkele opvattingen van dr. Meijering uit de nabespreking:

- Christelijke kerken moeten zich onderscheiden van andere organisaties. Als je een duplicaat bent van iets anders, maak je jezelf overbodig.

- De bijbel is, exegetisch gezien, voor velerlei uitleg vatbaar. Van belang is in ieder geval de genres in de bijbel te onderkennen bijv. beschrijvend, dichterlijk, constituerend, profetisch. Het gevaar is ook dat theologen stokpaardjes gaan ontwikkelen en uitdragen.

- Dr. Meijering gelooft dat gemeenten een identiteit moeten hebben. Christelijke kerken moeten voluit christelijke gemeenten willen zijn. Dit impliceert een doordachte inhoud vanuit het evangelie, het traditionele christelijke geloof.

Te noemen zijn: God komt in Jezus tot ons, Leven in de Geest van Jezus, Dood van Jezus, Het geloof in de opstanding, God als Schepper, De komst van de Heilige Geest.

Op deze basis moet het handelen gebaseerd zijn. Handelen mag niet de bestaansreden van een kerk zijn. Het ethische en het psychologische hebben beide recht van spreken, maar altijd vanuit het evangelie. Overleven is niet gegarandeerd. Kies niet wat rationeel kansrijk is, maar kies voor gehoorzaamheid aan God.

 

Agenda met alle activiteiten     Home