Doopsgezinde Gemeente Haren

Zondag 12 mei 2013

Voorganger: H.P. Kieft-van der Sande

 

Thema: De parakleet

 

Inleiding

Het is de zondag na Hemelvaart en voor Pinksteren, de zogenaamde wezenzondag.

Straks zullen we het begin van het boek Handelingen lezen.

Het boek Handelingen (letterlijk: daden, verrichtingen van de apostelen) wordt door de schrijver Lucas, die ook het evangelie van Lucas heeft geschreven, aan dezelfde persoon opgedragen, aan een zekere Theofilus, waarschijnlijk een christen uit Grieks-Romeins milieu.

Deze zocht antwoorden op zijn vragen naar de zekerheid, de betrouwbaarheid van wat in het evangelie wordt verteld. Eigenlijk lopen Lucas’ beide boeken (het evangelie en Handelingen) helemaal in elkaar over.

Op het eind van het evangelie lezen we over de opdracht die Jezus de apostelen geeft om het evangelie in steeds wijdere kring te verbreiden en zo van hem te getuigen.

Maar eerst moeten ze in Jeruzalem blijven en wachten op de beloofde Heilige Geest.

Dit zullen we straks in het begin van Handelingen ook weer horen.

Dat speelt zich af in de 40 dagen tussen Jezus’ opstanding en de Hemelvaart.

Het getal 40 komt in de bijbel steeds voor als het om bijzondere perioden gaat. 40 Dagen waarop Jezus zich herhaaldelijk aan de apostelen laat zien en met hen praat over de dingen van het Koninkrijk.

Ze herkennen hem vaak niet meteen.

Deze ontmoetingen en gesprekken zijn voor de apostelen van groot belang, dit hebben ze nodig om later met hart en ziel en met gezag te getuigen dat Jezus de Messias is.

 

Eigenlijk is Handelingen een heel bijzonder boek.

Er wordt beschreven hoe de leerlingen, als de Heilige Geest over hen is gekomen en hen met Zijn kracht heeft vervuld, getuigen van Jezus zijn “in Jeruzalem, in heel Judea, in Samaria en tot het eind van de aarde”.

In die volgorde zal het ook gebeuren, precies zoals Jezus hen had gezegd.

Getuigen is eigenlijk een begrip uit de rechtspraak.

Getuige zijn is meer dan alleen een verhaal vertellen.

Het is in de eerste plaats vertellen wat men gezien en gehoord heeft.

Getuigen van Jezus is in de eerste plaats de taak van hen die zijn optreden, dood en opstanding met eigen ogen hebben gezien en begrepen.

Het ooggetuigen zijn is aan de eerste leerlingen voorbehouden.

Maar getuigen gebeurt ook voor of tegen iemand. Hier dus: voor.

Dat houdt in dat een getuige tegenover tegenstanders staat, dat is ook in Handelingen steeds het geval.

Getuige zijn brengt daarom ook lijden mee.

Getuigen van Christus is vóór hem spreken in het geding dat hier tussen Christus en de wereld gaande is.

En het is de Geest die het getuigenis kracht geeft, zodat het evangelie verspreid kan worden en christelijke gemeenten worden gesticht.

Zo is het boek Handelingen zelf een getuigenis.

 

Lezingen

Handelingen 1: 1-14

In mijn eerste boek, Theofilus, heb ik de daden en het onderricht van Jezus beschreven, vanaf het begin tot aan de dag waarop hij in de hemel werd opgenomen, nadat hij de apostelen die hij door de heilige Geest had uitgekozen, had gezegd wat hun opdracht was. Na zijn lijden en dood heeft hij hun herhaaldelijk bewezen dat hij leefde; gedurende veertig dagen is hij in hun midden verschenen en sprak hij met hen over het koninkrijk van God.

Toen hij eens bij hen was, droeg hij hun op: ‘Ga niet weg uit Jeruzalem, maar blijf daar wachten tot de belofte van de Vader, waarover jullie van mij hebben gehoord, in vervulling zal gaan. Johannes doopte met water, maar binnenkort worden jullie gedoopt met de heilige Geest.’ Zij die bijeengekomen waren, vroegen hem: ‘Heer, gaat u dan binnen afzienbare tijd het koningschap over Israël herstellen?’ Hij antwoordde: ‘Het is niet jullie zaak om te weten wat de Vader in zijn macht heeft vastgesteld over de tijd en het ogenblik waarop deze gebeurtenissen zullen plaatsvinden. Maar wanneer de heilige Geest over jullie komt, zullen jullie kracht ontvangen en van mij getuigen in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria, tot aan de uiteinden van de aarde.

Toen hij dit gezegd had, werd hij voor hun ogen omhooggeheven en opgenomen in een wolk, zodat ze hem niet meer zagen. Terwijl hij zo van hen wegging en zij nog steeds naar de hemel staarden, stonden er opeens twee mannen in witte gewaden bij hen. Ze zeiden: ‘Galileeërs, wat staan jullie naar de hemel te kijken? Jezus, die uit jullie midden in de hemel is opgenomen, zal op dezelfde wijze terugkomen als jullie hem naar de hemel hebben zien gaan.’

Daarop keerden de apostelen van de Olijfberg terug naar Jeruzalem. Deze berg ligt vlak bij de stad, op een sabbatsreis afstand. 13 Toen ze in de stad waren aangekomen, gingen ze naar het bovenvertrek waar ze verblijf hielden: Petrus en Johannes, Jakobus en Andreas, Filippus en Tomas, Bartolomeüs en Matteüs, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon de IJveraar en Judas, de zoon van Jakobus. Vurig en eensgezind wijdden ze zich aan het gebed, samen met de vrouwen en met Maria, de moeder van Jezus, en met zijn broers.

 

Johannes 14: 16-29

Dan zal ik de Vader vragen jullie een andere pleitbezorger te geven, die altijd bij je zal zijn: de Geest van de waarheid. De wereld kan hem niet ontvangen, want ze ziet hem niet en kent hem niet. Jullie kennen hem wel, want hij woont in jullie en zal in jullie blijven. Ik laat jullie niet als wezen achter, ik kom bij jullie terug. Nog een korte tijd en de wereld zal mij niet meer zien, maar jullie zullen mij wel zien, want ik leef en ook jullie zullen leven. Dan zul je begrijpen dat ik in mijn Vader ben, dat jullie in mij zijn en dat ik in jullie ben. Wie mijn geboden kent en zich eraan houdt, heeft mij lief. Wie mij liefheeft zal de liefde van mijn Vader en mij ontvangen, en ik zal mij aan hem bekendmaken.’ Toen vroeg Judas (niet Judas Iskariot) aan Jezus: ‘Waarom zult u zich wel aan ons, maar niet aan de wereld bekendmaken, Heer?’ Jezus antwoordde: ‘Wanneer iemand mij liefheeft zal hij zich houden aan wat ik zeg, mijn Vader zal hem liefhebben en mijn Vader en ik zullen bij hem komen en bij hem wonen. Maar wie mij niet liefheeft, houdt zich niet aan wat ik zeg, en wat jullie mij horen zeggen, zijn niet mijn woorden, maar de woorden van de Vader door wie ik gezonden ben. Dit alles zeg ik tegen jullie nu ik nog bij jullie ben. Later zal de pleitbezorger, de heilige Geest die de Vader jullie namens mij zal zenden, jullie alles duidelijk maken en alles in herinnering brengen wat ik tegen jullie gezegd heb.

Ik laat jullie vrede na; mijn vrede geef ik jullie, zoals de wereld die niet geven kan. Maak je niet ongerust en verlies de moed niet. Jullie hebben toch gehoord dat ik zei dat ik wegga en bij jullie terug zal komen? Als je me liefhad zou je blij zijn dat ik naar mijn Vader ga, want de Vader is meer dan ik. Ik vertel jullie dit nu, voordat het gebeurt, zodat jullie het geloven wanneer het zover is.

 

Overdenking

Zusters en broeders.

Dat we in een materialistische tijd leven is niet nieuw.

Meestal denken we dan aan alle luxe en comfort waar we van genieten.

Maar ook in ons denken zijn we materialistisch geworden.

Het lijkt alsof we de werkelijkheid waarin we leven, versmald hebben tot wat we kunnen zien, tasten, wegen en meten.

Alles wat we niet kunnen zien en meten, is het er niet.

Is er wel een andere werkelijkheid dan de zichtbare?

Geen wonder dat velen dan soms ook niet goed raad weten met bijvoorbeeld Pinksteren.

En is het niet zo dat juist de wezenlijke dingen onzichtbaar zijn (liefde, trouw)?

 

In het bijbelgedeelte van Handelingen en van Johannes lezen we dat Jezus de discipelen belooft dat, als hij niet meer bij hen zal zijn, na de Hemelvaart, ze dan niet als wezen zullen achterblijven, maar een andere helper zullen krijgen:

Deze zal hen bijstaan en in herinnering brengen alles wat Jezus hen heeft gezegd.

Dit is de Heilige Geest, de Geest van de waarheid.

In het Grieks staat er paraklètos, letterlijk de erbij geroepene, helper, trooster, advocaat, iemand die te hulp geroepen wordt om een ander ook in moeilijke omstandigheden met raad en daad bij te staan.

Jezus is gekomen en gegaan, maar als met Pinksteren zijn geest wordt gegeven, is het voor altijd, niet aan tijd en ook niet aan plaats gebonden.

Het is de Heilige Geest die ons de weg wijst, de Geest van de Waarheid, die ons de weg wijst naar de volle waarheid.

‘Waarheid’ is in de bijbel geen rationele of logische waarheid zoals bij ons, iets wat te bewijzen is. ‘Waar’ is alles wat betrouwbaar en écht, iets wat wezenlijk is en tegelijk werkelijk. Het is waar het op aankomt.

God is betrouwbaar.

Zo moeten we het ook zien als Jezus zegt dat hij de ‘waarheid’ is, dit is niet verstandelijk bedoeld.

 

De wereld kan de Geest niet ontvangen, lazen we, omdat de wereld hem niet ziet of kent. Zoals de wereld ook Jezus niet heeft herkend en erkend.

Wereld staat bij Johannes vaak tegenover de volgelingen van Jezus.

Er wordt niet de hele mensheid mee bedoeld, maar de mensen die in zekere zin afwijzend staan tegenover Jezus.

 

Hoe kunnen wij in onze tijd op een geestelijke manier leven als we dat zouden willen?

In de afgelopen eeuwen is geleidelijk aan het denken in Europa radicaal veranderd: van ‘natuurlijk bestaat God’ tot ‘we weten helemaal niet of Hij bestaat’.

Charles Taylor, een bekend Canadees filosoof zegt het zo: Geloven is in deze tijd niet meer dan een optie, een mogelijkheid. Een mogelijkheid waar je wel of niet voor kiest.

Er is heel geleidelijk een verandering aan de gang die ons wegvoert uit een samenleving waarin het vrij normaal was in God te geloven in de richting van een samenleving waarin geloof, zelfs voor de meest overtuigde gelovige één mogelijkheid is naast vele andere.

Wat is geloof?

Geloven is een bepaalde manier van betekenis geven aan de wereld zoals die op je af komt.

Geloof en ongeloof zijn geen tegenover elkaar staande theorieën, maar verschillende soorten doorleefde ervaring (als een lucht die je inademt).

Als je gelooft, ervaar je de wereld als verwijzend naar een dieper geheim, een hogere wereld, een geestelijke werkelijkheid.

Voor de meeste mensen in West Europa is dat lange tijd het verhaal van de bijbel geweest. Nu ervaren ze dit verhaal niet meer als een voor de hand liggende mogelijkheid. Het is een vreemde sprong geworden, in plaats van een vanzelfsprekendheid.

Tegelijk zegt Taylor dat het ook niet meer zo is dat God géén optie is en je dwaas bent als je je met Hem bezighoudt. Maar de in zekere zin vanzelfsprekendheid ervan is er niet meer.

 

Ik denk dat we dankbaar moeten zijn dat er nog steeds geloofsgemeenschappen bestaan. Deze zijn nodig omdat we daar ervaringsverhalen krijgen aangereikt die ons vertellen dat voor de mensen die daar aan het woord zijn, God niet alleen een optie is, maar óók de absolute werkelijkheid. En dan niet de absolute werkelijkheid in die zin dat God voor deze mensen boven alle twijfel verheven is. Het reële en belangrijke voor ons is juist dat in deze verhalen naar voren komt dat de twijfel er soms eerst wel is, maar uiteindelijk wordt overwonnen. 

In deze verhalen blijkt geloven ook omgeven te zijn door aanvechting en onzekerheid.

Maar toch wordt men steeds weer overtuigd en gaat men er uiteindelijk van getuigen.

Misschien staan de mensen in het Oude testament en het Nieuwe testament wat betreft de onvanzelfsprekendheid van hun geloof wel dichter bij ons dan bijv. onze grootouders.

De gelovigen in de bijbel vormden altijd een kwetsbare minderheid, net als wij nu, hun geloof had dan ook veel te verduren van hun omgeving.

In het Oude testament leefde het volk Israël te midden van de buurvolken die in vele afgoden geloofden.

Het was dan ook steeds een kleine kring die binnen het volk Israël het vertrouwen op Jahweh vast wist te houden.

Was het geloof in de afgoden niet veel vanzelfsprekender?

In de wisseling van de seizoenen zag je de zegen van de vruchtbaarheidsgoden bij wijze van spreken voor ogen.

Ook de profeten hadden het moeilijk. Wat ze zeiden werd soms door bijna niemand geloofd (Jeremia).

In het boek Handelingen lezen we over de eerste christenen als een kleine groep in een uithoek van het Romeinse Rijk. Deze minderheid getuigde ervan dat God door Jezus had ingegrepen in de geschiedenis van mensen.

Hoe kwetsbaar was dat!

 

We hebben de bijbel te danken aan het feit dat er in het Oude testament en het Nieuwe testament een gemeenschap was die zich steeds bezon op de grote daden van God en de betekenis daarvan voor hun leven.

De kerk vandaag is een gemeenschap die nadenkt over de verhalen van mensen die God in hun leven hebben ervaren.

Daarbij is het heel belangrijk deze verhalen te duiden en uit te leggen, zó dat mensen zich er ook vandaag in kunnen herkennen.

De kerk vandaag is een gemeenschap waarin men samen geloofservaringen wil delen, samen wil bidden.

 

De Geest die de apostelen op het Pinksterfeest vervulde en zich sindsdien over de aarde heeft verspreid, is nog steeds dezelfde.

De keuzes die wij vandaag moeten maken om de Geest op het spoor te kunnen komen, zijn ook dezelfde.

Ook al zijn onze omstandigheden, ervaringen en belevingen anders dan vroeger, de Geest wil ons vervullen en vernieuwen, in ons denken en ons doen.

 

Amen.

 

 

Méér preken      (Sluit de pagina om terug te keren)