Doopsgezinde Gemeente Haren

Zondag 14 juni 2009

Voorganger: ds. R.P. Yetsenga

 

Lezingen:

Psalm 92

Ezechiël 17 : 22 - 24

Romeinen 8 : 18 - 30

Marcus 4 : 26 - 34

 

Liederen:

Tussentijds 36

Liedboek voor de Kerken Psalm 92 : 1, 4, 7 en 8

Tussentijds 74

Liedboek voor de Kerken Gezang 55

Liedboek voor de Kerken Gezang 252

Tussentijds 216

 

"Wil je wel geloven dat het groeien gaat?"

Preek naar aanleiding van de gelijkenis van het mosterdzaadje

 

Zusters en Broeders,

Ben ik teveel eisend wanneer ik zeg: "Ik wil een betere wereld, waar mensen mogen zijn wie ze zijn, waar kinderen niet in de knel raken, waar ons geloof ons kritisch maakt...."

Zo kan ik zonder enig probleem nog wel een tijdje doorgaan met wat ik verlang en waar ik op hoop, sterker nog: Waar ik naar uitzie.

Volgens mij herkent U dit.

Dat ik zó van start ga heeft alles te maken met de lezingen van vandaag.

Die gelijkenis van het mosterdzaadje, die groei van iets heel kleins naar iets groots, dat beeld van het komende Koninkrijk Gods, daar kom ik niet los van. Nou ja, gelukkig maar, dat ik vervuld ben van hoop en dat de wanhoop niet de overhand krijgt. Die hoop krijgt bij het beleven van het onmenselijke en onrechtvaardige gebeurtenissen in onze samenleving een forse dreun. Maar steeds is er die basis, dat het evangelie het goede nieuws is van Gods Koninkrijk, dat is en dat komt en waar we voor mogen leven. Dat heeft invloed op hoe ik omga met geld, de schepping en het onrecht dat ik om mij heen zie.

Wanneer ik Jezus’ woorden in deze gelijkenis van het mosterdzaadje goed tot me laat doordringen, dan is er in ieder geval het kernwoord GROEIEN; groei ! Het lied dat wij zongen sluit daar naadloos bij aan: ‘Wil je wel geloven dat het groeien gaat, klein en ongelooflijk als een mosterdzaad, dat je had verborgen in de zwarte grond en waaruit een grote boom ontstond.’ Groei en vertrouwen zijn de sleutelwoorden in het evangelie van vandaag.

In de Brief aan de Romeinen zegt de apostel: We zijn er nog niet! Hij weet dat wie Christus wil volgen lijdt onder wat je nu beleeft en ervaart aan onrecht, vervolging, onvrede en welk lijden dat allemaal met zich meebrengt. We zijn er nog niet! Sommigen zullen reageren met een ‘We zijn er nog lang niet’ en wie in pessimisme gehuld is zal iets roepen als ‘We komen er nooit!’ De psalmlezing laat ons het beeld zien van ‘Hoe groots de schepping is’ en daarom zeggen wij: Dat willen wij niet kapot gemaakt zien,..  vernietigd. Dáár ligt onze verantwoordelijkheid. Daarom klinkt die roep om de schepping te hernieuwen, nieuwe ruimte te scheppen, door te bouwen op hoop en geduld.

Een verhaal. Eens vroeg iemand aan een woestijnvader waarom hij nooit bang was. Hij antwoordde: Omdat ik iedere dag aan mijn dood denk. De gedachte aan de dood neemt mijn angst weg bedreigd te worden door anderen, aan ziekte of ongeluk ten prooi te vallen, of te mislukken en afgewezen te worden. De angst waar tegenwoordig zoveel mensen onder lijden heeft in laatste instantie altijd met de dood te maken.

Wij zijn bang dat onze dierbaren ons worden ontnomen, dat er iets ergs met onze kinderen of kleinkinderen zal gebeuren. Bang ziek te worden, te sterven, te mislukken, niet te zullen beantwoorden aan verwachtingen van anderen, bang voor schut te staan en dan door anderen te worden afgewezen’.

Anselm Grün zegt: ‘Als ik de dood voor ogen houd is het voor mij niet meer zo belangrijk wat anderen van mij denken. Dan interesseert het mij niet meer of ik al dan niet succes heb. In het aangezicht van de dood verbleekt de eerzucht om iets groots te presteren’.

Dan vraag ik me af: Zou Paulus dit ook bedoelen als hij het heeft over de verlossing van ons sterfelijk bestaan?

Hoop geeft je een bevrijd gevoel, zegt hij. Hoop en geduld zijn tweelingzusjes. Zonder hoop geen geduld, maar eerder berusting. Zonder geduld geen hoop, maar eerder een opvlieging. Hopen op wat zichtbaar is, vraagt al veel inspanning. Hopen op vrede bijvoorbeeld; als vrede zichtbaar is, draagt het het gevaar van luchtledigheid in zich. Hopen op vrede, als vrede niet zichtbaar is, vraagt om een enorm basisvertrouwen en om volharding; om weet hebben dat het anders kan. Bij Paulus komt er dan zo’n lastige zin waar ik wel meer dan twee keer over moet nadenken. Hij bedoelt: Een geloof, een weet hebben dat de schepping zelf bevrijd zal worden uit de slavernij van de vergankelijkheid en zal delen in de vrijheid en luister die Gods kinderen geschonken wordt. Heel kort door de bocht gezegd: Laat je de hoop niet ontnemen. Wie de hoop vasthoudt hoopt op het onzichtbare, bouwt op andere grond en schept iets nieuws. In dit kader past de kern uit een chassidisch verhaal: Rabbi Sjlomo vroeg ‘Wat is de ergste daad van onze boze aandrift?’ Hij antwoordde: ‘Wanneer een mens vergeet dat hij een koningskind is’.

Martin Buber benoemt dat ook zo: Een koningskind ben jij!

De oecumenische gemeenschap van Iona zingt daarvan: Wil je luisteren als Ik zeg ‘Een koningskind ben jij!’ Wil je geven wat je hebt, dat de wereld zich herschept en mijn leven wordt gewekt in jou en jij in Mij.

Wij mensen, wij worden aangespoord op die plek waar wij zijn gesteld; de weg die gaat in de richting van Gods Koninkrijk, om die weg niet te verlaten. Aangespoord, bemoedigd.... dat we er in die zin niet alleen voor staan. De profetische woorden uit Ezechiël 17 brengen het prachtige beeld van de koninklijke ceder en hij laat ons weten dat de hoogmoed, het grote vertoon, het gebral geen lang leven beschoren is. Een teer twijgje uit de mooiste cederboom zal een enorme boom voortbrengen, waarin voor alle soorten vogels die er zijn, plaats is. Ook voor de vreemde vogels onder ons, waarvan ik er zelf ongetwijfeld ook eentje ben, is er die ruimte, die grote ruimte die Gods genade geeft. Daar hoop ik als mens op, op die ruimte. Daar verlang ik naar, als gelovig, twijfelend en af en toe ook ongelovig mens. Terwijl ik dit zeg vraag ik mij af: Wat is verlangen? Waarom bloeit het? Waarom verschrompelt het? Ik weet het niet goed, begrijp het niet. Dat het er is, soms.... en dat ik er op andere momenten niet bij kan. Wel weet ik dat verlangen niet maakbaar is. Je kunt voor de voedingsbodem zorgen, meer niet. Hopen dat het op een dag ontkiemt,... misschien. Ik weet dat er verschil is. Verlangen van de jeugd, dat is de bloesem. Het is de drive, de spontane levensvreugde, die in ons opwelt als het leven ons gunstig gezind is en we de wind in de rug hebben. Wat ik bedoel is het onuitsprekelijke verlangen dat in ons mensen kan opvlammen als de bloesem verwaaid is. Een onverwachte vrucht die je niet meer voor mogelijk hield. Dat heeft ook alles te maken met wachten, vertrouwen, het uithouden en geduldig in het leven staan. Een onverwachte vrucht die je niet meer voor mogelijk hield... We hebben uit de Bijbel geleerd dat je vrucht draagt als je sterft. Het gaat om de vrucht! Willem Barnard gebruikt daartoe in Gezang 252 schitterend beeldende taal. We zongen ervan. ‘Maar wie zich door de hemel laat helpen uit de droom, die vindt de boom des levens, de Messiaanse boom, en als hij zich laat enten hier in dit aardse dal, dan rijpt hij in de lente tot hij vruchtdragen zal’. Wij mensen kunnen het niet alleen. De Bijbel spreekt van God die ons moet redden, oftewel: de kracht van de Allerhoogste die ons moet vernieuwen. Mensenhanden zijn nodig, onontbeerlijk, maar onze oude natuur zal het moeten afleggen. In feite weet je dat, ontdek je dat ook gaandeweg…. het onrecht waartegen wij vechten is niet alleen materieel, maar ook geestelijk. Er is een ommekeer nodig, want we zijn allemaal verblind door ons collectieve falen. Het gaat erom dat we bevrijd worden van angst en materialisme. Daarom, durf maar te gaan, durf te hopen, te vertrouwen dat wij groeien in de richting van Gods Koninkrijk, waarbij voorwaarde is dat we in de Gemeente van Christus blijven communiceren en elkaar in geloof, twijfel en ongeloof weten vast te houden. Dan zullen we ze zien, ze zullen er staan, die prachtige uitgegroeide bomen, vrucht van onze volharding. Amen.

 

Méér recente preken      (Sluit de pagina om terug te keren)