Doopsgezinde Gemeente Haren

Zondag 17 oktober 2010

Voorganger: ds. K. van der Werf

 

Redding van de mijnwerkers - Jona in de vis

 

Jona 2

De Heer liet Jona opslokken door een grote vis. Drie dagen en drie nachten zat Jona in de buik van de vis.

Toen begon hij in de buik van de vis tot de Heer, zijn God, te bidden:

‘In mijn nood roep ik de Heer aan en hij antwoordt mij.

Uit het rijk van de dood schreeuw ik om hulp – u hoort mijn stem!

U slingerde mij de diepte in, naar het hart van de zee.

Door kolkend water ben ik omgeven, zwaar slaan uw golven over mij heen.

Ik dacht: Verstoten ben ik, verbannen uit uw ogen. Zou ik ooit weer uw heilige tempel aanschouwen?

Het water steeg tot aan mijn lippen, muren van water stortten op mij neer, zeewier om mijn hoofd verstikte mij.

Tot de grondvesten van de bergen zonk ik neer; de grendels der aarde waren voor altijd achter mij gesloten.

Toen trok u mij uit de groeve omhoog, o Heer, mijn God!

Toen mijn ziel in mij versmachtte, dacht ik aan u, Heer en mijn gebed kwam tot u in uw heilige tempel.

Zij die armzalige afgoden vereren, verlaten u, trouwe God.

Maar ik zal mijn stem in dank verheffen en u offers brengen; mijn geloften los ik in. Het is de Heer die redt!’

Toen, op bevel van de Heer, spuwde de vis Jona uit op het land.

 

Preek

Alle 33 mijnwerkers die in Chili vastzaten zijn gered! Vanaf 5 augustus zaten deze mannen vast op 600 meter onder de grond. Vroeger zouden ze ten dode opgeschreven zijn, of er moest inderdaad een wonder gebeuren dat een ingestorte gang weer vrij kwam. Maar met de huidige technieken zijn de kansen om een dergelijk ongeluk te overleven, veel groter geworden.

Nu ben ik zelf nogal claustrofobisch van aard. Ik zal niet snel de lift nemen, als het niet nodig is. En ik kan ook slecht tegen totale duisternis. Een beroep als mijnwerker of matroos op een onderzeeboot is aan mij dan ook niet besteed, het geeft mij een beklemmend gevoel van angst.

 

Toen de ramp met de Russische onderzeeër De Koersk plaatsvond, had ik 's nachts beelden van mensen die daar nog in die boot rondliepen wetend dat het op een gegeven moment zal aflopen. En dat bleek later ook het geval geweest te zijn. Velen hadden hun gevoelens nog kunnen opschrijven voordat ze dood gingen. Ook de scènes uit de filmkaskraker ‘De Titanic’, als het water de gangen binnenstroomt en de passagiers als ratten in de val zitten, heb ik nooit helemaal uitgezien. Natuurlijk gaat het dan maar om een film, waarin alles is nagespeeld, maar het zijn bij mij vooral de gedachten dat je dat zelf eens moet overkomen. De wanhoop, de uitzichtloosheid, wetend dat de mogelijkheid zeer groot is dat je het niet overleeft.

 

Die 33 mijnwerkers hadden het geluk, dat ze nog met een camera contact hadden met de bovenwereld. En dat ze ook draadloos met anderen konden praten. Bij het ongeval met De Koersk, was alle verbinding verbroken en was het op de bodem van de zee slechts wachten op het eind.

En wat gaat het er dán allemaal in je hoofd om?

En als je gelovig bent, wat voor gedachten heb je dán allemaal?

 

Van die 33 mijnwerkers waren er twee lid van een baptistengemeente en de rest was katholiek. Maar wat mij opviel, was de grote rol, van het geloof bij dit hele gebeuren. Op de plek waar de mijnwerkers vastzaten werden missen gehouden, werd brood en wijn met elkaar gedeeld en werd er in de diensten gebeden voor deze mijnwerkers.

 

En ook de Chileense minister van mijnbouw had uitspraken, die je niet zou verwachten van een minister. Tenminste volgens onze Nederlandse criteria, met wat een minister wél of niet mag en moet zeggen. Want deze minister van mijnbouw, die zei namelijk: ‘Iets wat als een ramp is begonnen, is met een zegen van God geëindigd’. En niemand daar in Chili, is over deze woorden gevallen.

Hier in Nederland had je meteen de discussie dat een minister zich niet met godsdienst mag inlaten omdat kerk en staat gescheiden zijn. Bovendien stoot je anders-gelovigen voor het hoofd met zo'n uitspraak.

Het is dezelfde discussie als over Sinterklaas en Sint Martinus. Sinterklaas heeft een kruis op zijn mijter en op de rug van zijn mantel en aangezien dit een christelijk symbool is en de meeste mensen zich niet meer rekenen tot het christendom moet het pak van Sinterklaas worden veranderd en mag hij niet meer een bisschop worden genoemd, want dat geeft teveel associaties met het Rooms Katholicisme.

Maar in Chili geen woord erover dat een minister blij is dat de reddingsoperatie geslaagd is en uit zijn hart zegt dat hij God dankbaar is en dat hij de redding als een zegen van God ervaart. En of je het nu met die minister eens bent of niet of dat je van mening bent dat je dit soort van ongelukken en reddingen niet aan God kunt toeschrijven, dat doet er niks toe. Daar kan zo'n minister dat frank en vrij zeggen.

 

Nu weet ik ook wel dat in die Zuid-Amerikaanse landen religie en cultuur heel anders met elkaar zijn verweven dan in de Westerse wereld. En dat komt vooral omdat deze landen geen ontwikkelingen hebben gekend zoals wij die hadden in de zeventiende en achttiende eeuw. Bij ons heet die tijd De Verlichting, maar je kunt je ook afvragen of die term Verlichting eigenlijk wel klopt en of we inderdaad 'zo verlicht zijn geworden', dat in die tijd nieuwe natuurkundige- en wiskundige wetten hun intrede in ons denkstelsel vonden.

Wij vinden het vreemd dat Jezus over het water kon lopen, want de wet van de zwaartekracht en het soortelijke gewicht van water doet ons concluderen dat het niet kan. Maar in die Zuid-Amerikaanse landen kan dat allemaal heel goed!

Als God dat wil, kan Jezus over het water lopen, is de redenering. En daarmee wordt God eigenlijk boven de natuurkundige wetten geplaatst en kan de redding van de mijnwerkers ook rustig aan God worden toegeschreven. “De redding is een zegen van God”, kon de minister van mijnbouw in alle vrijheid zeggen.

 

Maar stel je eens voor dat je zelf in zo'n grote veerboot in een hut slaapt, helemaal beneden in de boot en het schip heeft een botsing met een ander schip en jij kunt niet meer uit die onderste verdieping komen. Samen met anderen ben je op de gang maar de toegang naar boven is hermetisch afgesloten. Wat gaat er dan in je om? En hoeveel stille gebeden zullen er wel niet in gedachten worden gezegd.

Ook al heb je de laatste jaren weinig kerken van binnen gezien, …zou er zich dan toch niet één of andere gedachte bij je naar boven komen zo van: “Als er toch een God is, help ons dan a.u.b. uit deze situatie”. Het lijkt mij heel menselijk!

Je zit in nood en je wilt toch ergens de gedachte van hoop weghalen.  En juist op zo’n moment, wordt God toch weer uit de hoge hoed tevoorschijn getoverd, ook al heb je de laatste jaren steeds geroepen dat je niks meer hebt met kerk en religie.

 

Met Jona gebeurt eigenlijk precies hetzelfde. Jona moet van God naar de stad Ninevé. Hij moet daar gaan vertellen dat de mensen in die stad niet zo leven zoals God het eigenlijk had bedoeld. Maar Jona heeft daar helemaal geen zin in. Hij heeft zijn eigen geloof in God, en dat moet wat hem betreft beslist niet veranderd worden. Jona heeft dus ook geen zin om naar de niet-joodse stad Ninevé toe te gaan. Waarom zou hij ook? Die mensen in Ninevé wisten toch niks van die God van Israël af en als ze er wel wat voor hadden gevoeld, dan hadden ze deze God maar als hun God moeten aannemen. Jona voelt er eigenlijk niks voor om zijn God met die vreemden van Ninevé te delen en gaat daarom precies de andere kant uit, namelijk naar het Tarsis in Spanje. Het eind van de wereld, het eind van de Middellandse Zee. Jona wilde niet meer geloven in deze God en door met een schip mee te gaan naar dit Tarsis was hij van alles af.

Geen God meer want daar hoefde hij toch niet meer in te geloven en hij hoefde niet meer naar die buitenlandse stad Ninevé.

 

Maar dan komt er een plotseling noodweer opzetten en wordt Jona door de bemanning als de schuldige aangewezen dat dit noodweer zo plotseling is komen opzetten. Jona wordt over boord ‘gejonast’, de zee wordt meteen rustig en Jona voelt zijn einde naderen in het water. Maar dan stuurt God een grote vis. Geen walvis of een grote orka…..nee gewoon een grote vis. Want het gaat er niet om of wij weten wat voor vis het is en of dit allemaal wel echt zo gebeurd is [leve ons Verlichtingsdenken], nee, het gaat erom dat er 'iets' komt dat redding brengt.

 

En wat dan het mooie is, in dit verhaal, dat is NIET het ‘spectaculaire van de redding’. Dat is weer ‘ons Verlichtingsdenken’, dat ervoor zorgt dat daar de nadruk op komt te liggen. Zo van: “God redt uit de diepste nood”. Kijk maar naar Jona, daar stuurt Hij een grote walvis op af!

Nee, het gaat niet om het spectaculaire element van de redding in dit verhaal. Het gaat erom wat Jóna zegt!

Jona, die voor God wegloopt; Jona die niks meer te maken wil hebben met deze God en zijn godsdienst. Deze Jona, die in de buik van de vis zit en niet weet of hij nog wel toekomst heeft. Wat doet deze Jona? Hij bidt! En Jona die bidt niet tot ‘zo maar’ een God. Nee, Jona bidt tot zijn God. Zo staat het in de tekst als Jona in het ingewand van de vis in nood zit: En Jona bad tot de Heer, zijn God, uit het ingewand van de vis.

 

En over zo'n zinnetje lees je snel heen. Maar wat de schrijver ermee wil zeggen is: nu Jona in nood zit, komt hij tóch weer bij zijn God uit.

Hij wilde er niks meer mee te maken hebben, maar nu, in nood, bidt Jona. En Jona vertrouwt erop dat God hem hoort. Jona heeft dus zijn geloof nog niet definitief verlaten en nu in nood, geen toekomst meer hebbend, blijkt hij dat geloof in zijn God, nog altijd te hebben.

 

Jona ziet in dat hij verkeerd heeft gehandeld om niet naar Ninevé te gaan. Hij ziet in dat het God was die hem had geworpen in de wateren, en hij is bang dat hij nooit weer de tempel zal zien. Hij weet dat hij diep is gezonken en gevallen. Tot de grondvesten der bergen zonk ik neer; de grendels der aarde waren voor altijd achter mij gesloten. Toen trok u mij uit de groeve omhoog en in gedachten was ik in uw heilige tempel. En Jona geeft aan dat hij vanuit zijn geloof, nu hij ziet dat het fout was om niet naar Ninevé toe te gaan, alsnog de zaken recht wil zetten en dat hij zijn geloof toch nog heeft.

 

Hoevelen zullen er in tijden van nood, geen gedachten hebben gehad zoals Jona.

Want geloof geeft ook hoop. Geloof dat je als mens hebt in een God, die het goed voor heeft met mens en wereld.

Voor die 33 mijnwerkers was hun geloof zeker een kracht die ervoor zorgde dat ze de moed niet opgaven.

Je hoeft niet letterlijk in een mijn of een boot vast te zitten om de hoop te verliezen. Soms overkomen je dingen in het leven, waardoor je figuurlijk gevangen zit en denkt: Wat heeft het leven nog voor zin? En waar is God? Hoe kan het dat dit me allemaal gebeurt?

En dan kan het geloof tóch een kracht voor je zijn, dat je je blik tóch weer richt op de toekomst en dat het geloof je tóch weer hoop voor je leven geeft.

Kijk maar naar Jona! Die toch weer teruggreep op zijn geloof en zo uit de donkerte, het licht weer voelde. 

 

 

Méér preken      (Sluit de pagina om terug te keren)