Buitendag van de doopsgezinde gemeenten Haren, Roden en Steenwijk op zondag 17 mei 2009

met een dienst, gezamenlijke maaltijd en bezoek aan de zorgboerderij ‘De Mikkelhorst’ in Haren

Preek: ds. K. van der Werf

Thema: Zorg voor elkaar; bijbellezingen:

Numeri 3: 5-8, waarin de Levieten de opdracht krijgen te zorgen voor de ‘tabernakel’ met de Tien geboden

Lucas 10: 25-37, met de gelijkenis waarin niet de Leviet, maar de Samaritaan zorgzaam is:

25 Er kwam een wetgeleerde die hem op de proef wilde stellen. Hij vroeg: ‘Meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?’ 26 Jezus antwoordde: ‘Wat staat er in de wet geschreven? Wat leest u daar?’ 27 De wetgeleerde antwoordde: ‘Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw kracht en met heel uw verstand, en uw naaste als uzelf.’ 28 ‘U hebt juist geantwoord,’ zei Jezus tegen hem. ‘Doe dat en u zult leven.’ 29 Maar de wetgeleerde wilde zich rechtvaardigen en vroeg aan Jezus: ‘Wie is mijn naaste?’ 30 Toen vertelde Jezus hem het volgende: ‘Er was eens iemand die van Jeruzalem naar Jericho reisde en onderweg werd overvallen door rovers, die hem zijn kleren uittrokken, hem mishandelden en hem daarna halfdood achterlieten. 31 Toevallig kwam er een priester langs, maar toen hij het slachtoffer zag liggen, liep hij aan de overzijde voorbij. 32 Er kwam ook een Leviet langs, maar bij het zien van het slachtoffer liep ook hij aan de overzijde voorbij. 33 Een Samaritaan echter, die op reis was, kreeg medelijden toen hij hem zag liggen. 34 Hij ging naar de gewonde man toe, goot olie en wijn over zijn wonden en verbond ze. Hij zette hem op zijn eigen rijdier en bracht hem naar een logement, waar hij voor hem zorgde. 35 De volgende morgen gaf hij twee denarie aan de eigenaar en zei: “Zorg voor hem, en als u meer kosten moet maken, zal ik u die op mijn terugreis vergoeden.” 36 Wie van deze drie is volgens u de naaste geworden van het slachtoffer van de rovers?’ 37 De wetgeleerde zei: ‘De man die medelijden met hem heeft getoond.’ Toen zei Jezus tegen hem: ‘Doet u dan voortaan net zo.’

 

Midden in het centrum van Leek, staat een kleine synagoge, als een monument overgebleven van Joods leven. Het gebouwtje is de laatste jaren prachtig gerestaureerd en de stichting die de deze synagoge beheert, pleegt dan ook allerlei onderhoudsmaatregelen om deze synagoge te behouden. En de straat, waaraan deze synagoge ligt is, heet de Samuël Levi straat. Een hele normale joodse Hebreeuwse naam. Vooral de naam ‘Levi’. Een naam afkomstig van de derde zoon van Jacob, die Levi heette. Levi was één van de twaalf zonen van Jacob, die met hun families naar Egypte gingen vanwege een hongersnood in hun eigen land. De familie van Jacob kwam met 70 man in Egypte en werd in Egypte een groot volk. Egypte keerde zich tegen hen en gebruikte dit volk als dienstknecht. Dit volk werd een dienstknecht van Farao tegen wil en dank. Want ze hadden zich te houden aan de inzettingen en verordeningen van Farao. En bij Farao kwam het begrip ‘naaste’ niet voor! Integendeel: het recht van de sterkste, daar ging het om en Farao regeerde als God over zijn mensen. En dat betekende: slavenarbeid voor dit volk en geen vrijheid.

 

Maar in die situatie komt verandering. Mozes, als leider van dit volk, zegt dat hij een God heeft ontmoet, heeft ervaren, die als een kracht bij mensen wil zijn en die het tegenover­gestelde is als Farao. Met als gevolg dat het inmiddels tot een volk uitgegroeide groepje mensen van de zonen van Jacob, Farao inruilt voor deze Gods en uit het onland Egypte vertrekt. Niet zonder slag of stoot overigens! Farao doet er alles aan om ze nog tegen te houden, want zijn geleide economie is juist gebaseerd op het uitbuiten van mensen en nu ziet hij deze mensen vertrekken.

Maar het volk weet te ontkomen. Ze hadden hun vertrouwen gesteld op een kracht die hun toekomst zou geven en daarin raakten ze niet beschaamd. Het volk weet te ontkomen door de Schelfzee en daar begint, wat wij noemen de 40-jarige woestijntijd, naar het nieuwe land. Het land waar ze zouden gaan leven zoals deze God de mens voor ogen had en niet meer zoals Farao over de mens dacht.

 

Bij het begrip ’woestijn’ denk je vaak aan een grote zandvlakte, zoiets als de Gobi-woestijn of de Sahara. Grote kale zandduinen, bedoeïenen op hun kamelen, één keer per jaar doorsneden door de westerse miljoenen euro's verslindende Dakar-rally. Maar in de bijbel staat die 40-jarige woestijntijd symbool voor het leven van de mens. De mens, die zich in de wereld bevindt en die een levensovertuiging moet kiezen om dat leven te leven.

Het begrip ‘woestijn’ in de bijbel, staat eigenlijk model voor hoe de mens zijn leven zoekt in de wereld.

 

Vandaar ook dat wanneer het volk uit Egypte komt, ze eerst door de Schelfzee gaan. Ze laten het onland Egypte achter zich en beginnen dus blanco aan deze tocht. Die God waarin ze geloven, kennen ze niet persoonlijk. Ze zien hem als een wegwijzer in de vorm van een wolk overdag en ’s nacht in de vorm van een vuurkolom. Ze zien dus deze God wél, maar weten nog niet goed hoe deze God de mens heeft bedoeld. Dat heeft hij nog niet gezegd. Deze God heeft wel laten zien dat het leven niet zo moet als bij Farao, maar een handleidinkje voor het leven zou niet verkeerd zijn. En die handleiding, die komt er: midden in de woestijn. Daar worden Tien Geboden gegeven als handvat voor het leven.

 

Met als opdracht: Als je je nu daar aan houdt,.... dan laat je als mens zien hoe de mens bedoeld is. En die Tien geboden die worden op twee grote stenen geschreven, die ze steeds moeten meedragen in een grote kist.

En nu zul je in eerste instantie zeggen: wat een gezeul om met die grote stenen rond te sjouwen.... leg maar eens een terras aan met grindtegels van 40 bij 60, dan weet je meteen ook hoe zwaar die Tien geboden wel niet moeten zijn om daarmee door de woestijn te sjouwen.... maar dat rondsjouwen met die Tien geboden, dat is eigenlijk de essentie van het woestijn-verhaal.

Want door die Tien geboden steeds mee te nemen en in een aparte tent - de tabernakel - te zetten geef je aan dat je deze woorden serieus neemt en dat dát de inhoud is van hoe je in het leven wilt staan. Door die stenen van de ene plaats steeds naar de andere plaats mee te nemen, geef je aan dat je je leven daarop wilt richten. En geef je ook aan, dat die woorden, niet zomaar bedacht zijn, maar dat die woorden behoren bij een geloof in een God. En dát geloof dat wordt zichtbaar. Niet zichtbaar in een groot godenbeeld, wat je steeds meeneemt.... nee.... dat wordt zichtbaar in die tien regels die worden meegenomen om zo ervoor te zorgen dat de mensen wél in dat nieuwe land blijven geloven. Dat de mensen die daar in de woestijn zijn, blijven geloven dat er aan die woestijnreis een einde komt en dat je dan in het nieuwe land bent.

 

En om de motivatie er wat in te houden, omdat het soms wel heel aanlokkelijk is om terug te keren naar Egypte.... worden de nakomelingen van Levi aangewezen. Iedereen die nakomeling is van Levi, die krijgt de opdracht om voor de Tien geboden te zorgen.

Levi betekent letterlijk: de begeleider. De Levieten moeten er dus voor zorgen dat ze de mensen begeleiden. Begeleiden in het leven naar het nieuwe land. En hoe doen ze dat: door zorg te dragen voor de Thora. Door ervoor te zorgen dat de Tien Geboden zichtbaar blijven. Want als de Tien Woorden zichtbaar blijven dan blijft God ook zichtbaar.

De Levieten zijn dus eigenlijk de begeleiders die ervoor moeten zorgen dat het volk in het nieuwe land komt. Zijn bestemming zal bereiken. Je kunt ook zeggen: ze begeleiden de mens in het leven en wijzen de mens er steeds op, om de Thora in de praktijk te brengen.

 

Maar dan moeten ze dat zelf ook doen!! Zij zijn degenen die veel bijbelteksten kennen en zij zijn degenen die het voorrecht hebben om de Ark te dragen met de Tien Woorden erin. Zij hebben letterlijk Gods woord onder de arm! En die weten niet, wanneer er iemand hulp nodig heeft. Wanneer iemand mishandeld is, langs de weg ligt en geen toekomst meer heeft.

De Leviet, die de mens eigenlijk moet begeleiden in het leven, weet zelf niet het woord in praktijk te brengen. Geeft geen hulp waar dat nodig is een weet dus ook niet wat de uitdrukking ‘mens volgens het beeld van God’ is.

Want dát is de invulling van het begrip ‘naaste’. De ander benaderen volgens het mensbeeld zoals dat spreekt uit het scheppingsverhaal. En die Leviet slaat de plank volledig mis. Als functionaris van de tempel, alles wetend over teksten die moeten worden gelezen, offers en rituelen die moeten worden gedaan, heeft hij geen oog voor het gewone leven.

Hij heeft geen zorg voor de ander. Hij wil er zelfs geen zorgen om hebben, want hij loopt door aan andere kant van de weg. Zo van, wat ik niet tegenkom, bestaat ook niet! De Leviet doet zijn naam dan ook geen eer aan. Hij meent, dat hij de levensbegeleider is van de mens en dat het heil wordt verkregen door veel bijbel te lezen en veel tempelbezoek.

 

Maar de Thora is niet door God gegeven als een soort leesboek dat je uit je hoofd moet leren. De Thora zijn de woorden, die ervoor willen zorgen dat er een ander mensbeeld in de wereld komt dan het mensbeeld zoals Farao zich dat voorstelde. Die Leviet doet eigenlijk precies hetzelfde als Farao. Hij kent het begrip mede-mens niet. En hij kent het begrip ‘zorg’ niet. Terwijl dat juist de kern is van die bijbelse woorden.

 

Het is ook een misverstand om te denken dat je, omdat je bij een kerk hoort, altijd hulp moet bieden en dat alles vanuit een belangeloos principe. Zo van: Jezus was arm en hielp iedereen, dus moeten wij dat ook zo doen. En het liefst er nog een schepje bovenop waarbij je stiekem bij jezelf denkt dat je het beter doet dan Jezus.

Maar het gebod zegt: heb je naaste lief als jezelf. Er staat niet: heb je naaste méér lief dan jezelf. Er staat ook niet: heb je naaste minder lief! Nee.... er staat gewoon: heb je naaste lief als jezelf.

Het ‘zorg hebben voor’ gaat dus uit van jezelf. Vanuit jouw geloofsvisie. Vanuit jouw levensovertuiging. En dat betekent dat het criterium bepaald wordt door wat in jouw vermogen ligt om te helpen.

En dat criterium is niet van: ’s morgens help ik bij de voedselbank, ’s middags zit ik in het bejaardenhuis bij een zangmiddag voor ouderen, van 5 tot 7 bid ik 10 keer het Onze Vader en lees ik de Bergrede en ’s avonds ben ik vrijwilliger bij een opvanghuis voor drugsgebruikers. En na drie weken iedere dag dit patroon ben ik beter dan Jezus, voel ik mij een supergelovige die een streepje voor heeft bij God en…. stort ik geestelijk en lichamelijk in elkaar.

 

Nee.... zorg geven aan elkaar.... zorg dragen voor elkaar.... gaat niet uit van het vele doen, maar van de intentie. En die intentie wordt bepaald door hoe je gelooft. Want door je geloof vorm je bij jezelf er een beeld van, hoe jij denkt dat de mens moet zijn in de wereld.

Geloven in God, is niet alleen voor jezelf weten, dat er wel meer zal zijn tussen hemel en aarde, wat wij als mensen allemaal niet weten en dat het dan mooi is dat er een God is waaraan we alles kunnen toeschrijven, wat we niet kunnen verklaren.... Geloven in God heeft ook te maken met hoe jijzelf daarmee in het leven wilt staan. En dat geloof bepaalt wie je naaste is.

 

En dat geloof wordt niet bepaald door de halve bijbel uit je hoofd te leren noch door 50 keer op een dag het Onze Vader te bidden. Je geloof wordt bepaald, door hoe je het ervaart.... hoe je het voelt. Hoe je je leven spiegelt aan de bijbelse verhalen. Dat bepaalt in feite hoe je gelooft. En niet de regeltjes en de wetten zoals het bij de Levieten was uitgegroeid. Want die wisten daardoor niet meer zorg te geven aan de naaste, omdat zij niet meer wisten wie de naaste was.

Het zorg dragen voor elkaar begint met je eigen geloof en wat in je eigen vermogen ligt om te doen. Zoals Doopsgezinden dat al bijna 500 jaar doen, samengevat in hun spreuk: ‘Dopen wat mondig is, spreken wat bondig is, vrij in het christelijk geloven; daden gaan woorden te boven’.

 

Méér recente preken      (Sluit de pagina om terug te keren)