Doopsgezinde Gemeente Haren

Zondag 18 maart 2012

Voorganger: G.G. Hoekema

 

Gedeelde broden, dubbele vreugde

 

Vandaag is het de vierde zondag in de veertig-dagentijd. Een vraag: Zegt u dat eigenlijk wat? Zo’n veertigdagentijd? En wat zou je er eigenlijk mee moeten doen?

Voor mij geeft het wat structuur. Anders kan elke dienst, elke viering hetzelfde zijn. Het dwingt je om bij dingen stil te staan die je anders misschien zou overslaan, omdat je er niet zoveel mee hebt.

Die structuur laat ik in de lezingen gelden; Psalm 122 is de psalm van deze zondag die als Latijnse naam draagt: Zondag Laetare: Zondag verheug u.

En de lezing uit Johannes 6 over de spijziging van de 5 duizend behoort ook tot deze zondag. En zelf voegde ik Genesis 1 toe tot en met de vierde dag. Licht voor nacht en dag. Getallen hebben in de bijbel betekenis.

Vanouds werd deze zondag ook wel Klein Pasen genoemd om de lange voorbereidingstijd naar Pasen even te onderbreken en al even vooruit te kijken.

Vandaar ook de titel, het thema van de dienst: Gedeelde broden, dubbele vreugde.

 

Lezingen

Genesis 1: 1-19 in de ‘Naardense’ vertaling

Sinds het begin is God schepper,- van de hemelen en de aarde. Genesis.

De aarde is woestheid en warboel geweest, met duisternis op het aanschijn van de oervloed,-
maar adem van God reeds wervelend over het aanschijn van het water.

Dan zegt God: kome er licht!- en er kómt licht.

God ziet het licht aan: ja, het is goed!
Zo brengt God scheiding aan tussen het licht en de duisternis.

God roept tot het licht 'dag' en tot het duister heeft hij geroepen 'nacht';
er komt een avond en er komt een ochtend: één dag.
 

Dan zegt God: kome er een gewelf in het water,- kome er scheiding tussen water en water!

Dan maakt God het gewelf en brengt hij scheiding aan tussen de wateren onder het gewelf en de wateren boven het gewelf;

zo komt het tot stand.

God roept tot het gewelf 'hemel';

er komt een avond en er komt een ochtend: tweede dag.

 

Dan zegt God: dat de wateren onder de hemel te hoop lopen naar één oord, en zichtbaar worde het droge!- en zo komt het tot stand.

God roept tot het droge 'aarde' en tot de ophoping van de wateren heeft hij geroepen 'zeeën';

God ziet het aan: ja, het is goed!

Dan zegt God: laat de aarde groen doen groeien, een gewas dat zaad zaait, een vruchtdragend geboomte dat vruchten maakt naar zijn soort met daarin zijn zaad over de aarde!- en zo komt het tot stand.

En de aarde brengt al wat groen is naar buiten, gewas dat zaad zaait naar zijn soort en geboomte dat vruchten maakt met daarin zijn zaad, naar zijn soort; God ziet het aan: ja, het is goed!

Er komt een avond en er komt een ochtend: derde dag.

Dan zegt God: kome er: lichten aan het gewelf van de hemel om scheiding aan te brengen tussen de dag en de nacht; komen moeten die er als tekenen en samenkomsttijden, voor dagen en jaren;

komen moeten ze als lichten aan het gewelf van de hemel om licht te brengen over de aarde!- en zo komt het tot stand. 

God maakt de twee grote lichten: het grote licht voor het beheer van de dag, het kleine licht voor het beheer van de nacht, en ook de sterren.

God geeft ze aan het gewelf van de hemel om licht te brengen over de aarde, om te beheren de dag en de nacht, om scheiding aan te brengen tussen het licht en de duisternis; God ziet het aan: ja, het is goed! 

Er komt een avond en er komt een ochtend: vierde dag.

Johannes 6: 4-14 in de Nieuwe Bijbelvertaling

Het was kort voor het Joodse pesachfeest.

Toen Jezus om zich heen keek en zag dat die menigte naar hem toe kwam, vroeg hij aan Filippus: ‘Waar kunnen we brood kopen om deze mensen te eten te geven?’ Hij vroeg dat om Filippus op de proef te stellen, want zelf wist hij al wat hij zou gaan doen. Filippus antwoordde: ‘Zelfs tweehonderd denarie zou niet voldoende zijn om iedereen een klein stukje brood te geven.’ Een van de leerlingen, Andreas, de broer van Simon Petrus, zei: ‘Er is hier wel een jongen met vijf gerstebroden en twee vissen – maar wat hebben we daaraan voor zo veel mensen?’ Jezus zei: ‘Laat iedereen gaan zitten.’ Er was daar veel gras, en ze gingen zitten; er waren ongeveer vijfduizend mannen. Jezus nam de broden, sprak het dankgebed uit en verdeelde het brood onder de mensen die er zaten. Hij gaf hun ook vis, zo veel als ze wilden. Toen iedereen volop gegeten had zei hij tegen zijn leerlingen: ‘Verzamel nu de overgebleven stukken brood, zodat er niets verloren gaat.’ Dat deden ze en ze vulden twaalf manden met wat overgebleven was van de vijf gerstebroden die men had gegeten. Toen de mensen het wonderteken dat hij gedaan had zagen, zeiden ze: ‘Hij moet wel de profeet zijn die in de wereld zou komen.’

 

Overdenking

In de gemeente doen we een heleboel dingen die uit de traditie komen. Zoals vandaag, de vierde zondag in de veertig-dagentijd. Dat woord veertig-dagentijd is nog niet zo oud. Dat zijn we gaan gebruiken toen we afwilden van vastentijd of van Lijdenstijd. Woorden die niet meer zo in onze beleving pasten. En laten we eerlijk zijn: we vasten ook niet 7 weken lang.  Of zijn er onder u die dat wel doen, wel weer doen?

Dat vasten kwam voort uit de lezing die aan het begin van die tijd gelezen werd: Jezus die 40 dagen in de woestijn was en daar geen brood had om te eten. Niet alle evangeliën vertellen daarover hetzelfde. Johannes helemaal niet en Marcus heel kort. Het vasten was de Joden bekend.

Lijdenstijd is meer een dogmatische term. Het lijden van Jezus, dat zijn kruisdood nog erger maakte en dat door Gods bevrijding, de opwekking uit de dood, werd omgebogen. Ook de mensen moesten het lijden aanvaarden, de verlossing zou hun deel worden. Ik denk niet dat we dat vandaag de dag nog zo geloven.

Dus veertig-dagentijd. Een wat neutrale term, die refereert aan de veertig jaar in de woestijn, de veertig dagen dat Elia zich afzonderde op de berg Horeb. Daaraan modelleerden Mattheüs en Lukas het woestijnverhaal van Jezus en vulden dat weer in met hun eigen geloof, hun eigen theologie.

En die veertig dagen uit dat verhaal heeft men in de kerk dan zichtbaar willen maken in de voorbereidingstijd voor Pasen. Maar ook die veertig dagen staan dus in het teken van afzien, van vasten - tenzij je het manna mag ontvangen van God -, van aanvallen op je integriteit, op je standvastigheid als gelovige. Je komt die veertig dagen ook nog tegen in het zondvloedverhaal bij Noach. 40 dagen regen.

Veertig dagen houdt iets in van ellende. In tijden dat de mensen in ellende leefden, met ziekten als de pest, met hongersnoden, met oorlogen, dus zeg maar, zoals nu in sommige landen van Afrika of zoals in sommige plaatsen in Syrië, kan dat verhaal als een spiegel zijn en als een troost, want ze gaan voorbij. Er komt een einde aan. Er is straks een overkant, er is licht, als de dag aanbreekt en de zon schijnt.

Maar dat doet toch wel erg denken aan: na regen komt zonneschijn. Een dooddoener voor mensen die in de ellende zitten, een dag, vier dagen, veertig dagen, een leven lang.

Het verhaal van Genesis 1 is meer dan een tegeltjeswijsheid. Natuurlijk, na regen komt zonneschijn, maar het verhaal van Genesis laat ons een proces zien hoe de wereld in elkaar zit, onze wereld, en hoe ons bestaan van dag tot dag verworven moet worden en hoe we moeten beseffen dat het verwerven van ons bestaan een weg is van keuzes tussen licht en donker, tussen chaos en chaos, tussen water en droge, zee en land, tussen zaaddragend en onvruchtbaarheid, tussen dag en nacht. De essentiële dingen van het bestaan. Licht en donker, het onderscheiden van, van wat? Wat is volgens u het belangrijkste om de onderscheiden?

Het onderscheiden van goed en kwaad, van leven en dood, van jou en mij, van hemel en aarde.

Wateren en wateren, chaos en chaos. Waarom zouden we dat moeten kunnen onderscheiden? Chaos boven, buiten de hemel, chaos onder de hemel. Overal en altijd is chaos, verwarring, wirwar. Maar het ene wirwar kunnen we misschien aan, het andere niet. Het ene wirwar, de ene chaos kunnen we wellicht de baas, het andere beslist niet. Onder de hemel, onder het gewelf  is een soort van bescherming tegen de onbeheersbare chaos. Onder de hemel is chaos dragelijk en hanteerbaar.

Water en droge, zee en land. Waar willen we leven? Water is in het bijbels verhaal bijna altijd doodswater, behalve als God je er uit trekt, zoals in dit verhaal, waar hij water en het droge scheidt, zoals bij Noach, waar de opdracht een boot te maken redding betekent en leven, zoals bij Jacob  die vecht bij de Jabbok, niet om dood, maar om leven, zoals Mozes die uit de Nijl getrokken wordt en zoals Israel, die de Rode Zee door mag trekken, en Jozua die de Jordaan over mag gaan, en Jezus die de Jordaan uitgetrokken wordt en wij die niet sterven bij de doop, maar leven. Waar willen we leven? In het gevaar, in de dood of op het land¸met mogelijkheden en kansen, met anderen die niet vechten met de dood als inzet, maar die liefhebben met het leven als inzet. Wat kiezen we, waar maken we het onderscheid, waar maken we het verschil, zoals dat tegenwoordig heet? Altijd beseffend dat het water er is, altijd beseffend dat er ook onder de hemel chaos is, altijd beseffend dat er naast licht ook donker is. Dat is essentieel, dat we dat beseffen. God heeft ons nooit een rozentuin beloofd, wel het beloofde land, ooit en soms heel even nu. We leven een aangevochten leven. Elke dag weer en de ene dag kunnen we er beter tegen dan de andere dag. Leven is leven op de rand van de zee en het droge, op de rand van licht en donker. Maar ook een leven waar zaad is. De derde dag is een dag vol zaad. Toekomst dus, vruchten dus, voedsel dus, brood.

De vierde dag, een dag van dag en nacht. Eigenlijk een dag van nacht en dag. Het duister gaat voorop en dat merkwaardige optimisme dat kenmerkend is voor de bijbel zegt ons dat na regen zonneschijn komt, na de nacht komt de dag. Na de dood komt het leven, na de zee het droge.

Biologisch mogen wij dan wel van de zon afhankelijk zijn, bijbels gezien is de zon een stuk gereedschap van God. Om ons de dag te geven na de nacht.

Vier dagen die de voorwaarden scheppen van het leven, die een diepte in zich dragen die je niet zomaar even uit het verhaal hoort, woorden die steeds in de bijbel een dubbele betekenis hebben, leven dat ook steeds een dubbele betekenis heeft, omdat leven meer is dan in leven blijven en vechten tegen de dood, maar ook leven ter wille van de ander: Ben ik mijn broeders hoeder horen we een paar bladzijden verder. Ja, we zijn elkaars hoeder. Wat anders?

Wat kiezen we? Zo langzamerhand komt het er op aan. Liefhebben met het leven als inzet? Dat is wat gebeurt in het verhaal van Johannes 6.

Opmerkelijk dat alle evangeliën dat spijzigingsverhaal hebben, Johannes net een beetje anders dan de anderen, maar allemaal vertellen ze dit verhaal. Het verhaal van delen, delen van de armoede: vijf broden en twee vissen. Het verhaal van het geven van leven, van solidariteit. Het verhaal van mensen niet aan hun lot overlaten. Welke politieke partij heeft het niet in zijn partijprogramma staan? Maar hier gebeurt het. Hier wordt het verteld, want er is nog geen bijstandsuitkering, en geen zorgverzekering en geen diaconale ondersteuning, en geen ouderdoms­pensioen. Al die dingen die ons verhinderen om te delen want dat is al geregeld. Op bureaus en achter loketten is het geregeld. Hoewel, geregeld? Op papier. In de werkelijkheid van alle dag staat Nadja nog elke week bij Albert Hein om de straatkrant te verkopen. In de werkelijkheid van alle dag zitten er kinderen thuis, die op school horen te zitten, blijven kinderen in een gezin waar geweld en misbruik is. In de werkelijkheid van alle dag wordt bij C1000 en bij de Action op een erbarmelijke manier op de accordeon gespeeld, met een mandje voor de spelers.

In de werkelijkheid van alle dag is die solidariteit een steeds meer uitgeklede papieren zaak.

Vijf broden en 2 vissen. Niet veel, maar beter dan niets. En er wordt gedeeld en er blijft over.

Want gedeelde broden is dubbele vreugd. Gedeeld brood verdubbelt het brood, gedeelde solidariteit wordt dubbele solidariteit, gedeelde broeder- en zusterschap wordt dubbele zuster- en broederschap

Vijf broden en twee vissen. Ik weet het, het is maar een verhaal. Misschien is er ooit iets gebeurd wat er op leek. Door Martinus van Tours, door Nicolaas van Miro, door Franciscus van Assizi, door Mahatma Ghandi, door Martin Luther King, door moeder Theresa, door jou en misschien wel eens door mij. Misschien zijn we ooit elkaars hoeder geweest, even, toen en toen, daar en daar, weet je het nog?

Misschien kwamen we ooit aan echt leven toe, dat de ander niet uitsloot als waren het dronken Polen, maar dat de ander insloot: jij hoort er ook bij in je vreemde taal, in je vreemde kleding, in je vreemde gewoonten, in je vreemde godsdienst.

Misschien waren we ooit op weg naar Pasen, van dag tot dag, van week tot week en zongen: We gaan naar het huis van de Heer, verheugd ben ik. Om mijn verwanten en vrienden zeg ik: vrede zij in jou.

Vrede en alle goeds.

 

 

Méér recente preken      (Sluit de pagina om terug te keren)