Doopsgezinde Gemeente Haren

Zondag 18 april 2010

Voorganger: ds. K. van der Werf

 

 

Edelstenen als krachtgevers

 

Lezingen Op verschillende plaatsen wordt in de bijbel gesproken over edelstenen, waaraan bijzondere betekenis wordt gegeven.

 

In Exodus 28 worden voorschriften gegeven over de priesterkleding. Daarbij hoort ook een ‘borsttas voor orakelstenen’ (vers 15 e.v.):

Maak een borsttas voor de orakelstenen. Deze moet even vakkundig geweven worden als de priesterschort, van gouddraad, blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en getwijnd linnen garen. Dubbelgeslagen moet het weefsel vierkant zijn, een span lang en een span breed. Zet er vier rijen stenen op: de eerste rij wordt gevormd door een robijn, een topaas en een smaragd; de tweede rij door een granaat, een saffier en een aquamarijn; de derde door een barnsteen, een agaat en een amethist, en de vierde door een turkoois, een onyx en een jaspis, allemaal in gouden kassen gevat.  Er moeten twaalf stenen zijn, zoals er twaalf namen zijn van Israëls zonen: in elke steen moet de naam van een van de twaalf stammen gegraveerd worden, zoals men zegelstenen snijdt.

Zo draagt Aäron telkens als hij het heiligdom binnengaat, de namen van Israëls zonen op zijn hart, op de borsttas voor de orakelstenen, om de HEER steeds opnieuw aan hen te herinneren. Leg in de borsttas de twee orakelstenen, zodat Aäron ze op zijn hart draagt wanneer hij voor de HEER verschijnt; in de tegenwoordigheid van de HEER moet hij de stenen voor de orakels over de Israëlieten altijd op zijn hart dragen.

 

Die tas met twaalf edelstenen staat symbool voor heel Israël en de aanwezigheid van de Heer. In die tas liggen twee ‘orakelstenen’: Urim en Tummim: ‘het licht’ en ‘het donker’. Zij staan respectievelijk voor ‘ja’ en ‘nee’. Staat het volk voor een belangrijke beslissing. bijvoorbeeld wel of niet optrekken ten strijde, dan kwam het antwoord doordat de priester één van de stenen uit de borsttas pakte.

 

Ook na de tijd van Mozes was dat gebruik nog in zwang, zoals blijkt uit 1 Samuel 28 (4-6):

Toen nu de Filistijnen hun troepen hadden verzameld en waren opgerukt naar Sunem, waar ze hun kamp opsloegen, bracht ook Saul zijn leger op de been en sloeg zijn kamp op in het Gilboagebergte. Maar toen hij het kamp van de Filistijnen zag, greep de angst hem bij de keel. Hij raadpleegde de HEER, maar de HEER gaf geen antwoord: noch in dromen, noch door middel van orakelstenen, noch bij monde van profeten.

 

Maar Saul was ongehoorzaam geweest aan God en krijgt geen antwoord. Later spelen de orakelstenen niet meer een rol, maar edelstenen vinden we bijv. ook in het boek Openbaring.

 

In Openbaring 21 ‘Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde’ is weer sprake van twaalf edelstenen, die weer heel Israël, heel de wereld representeren:

Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Want de eerste hemel en de eerste aarde zijn voorbij, en de zee is er niet meer. Toen zag ik de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, uit de hemel neerdalen, bij God vandaan. Ze was als een bruid die zich mooi heeft gemaakt voor haar man en hem opwacht. Ik hoorde een luide stem vanaf de troon, die uitriep: ‘Gods woonplaats is onder de mensen, hij zal bij hen wonen. Zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal als hun God bij hen zijn. Hij zal alle tranen uit hun ogen wissen. Er zal geen dood meer zijn, geen rouw, geen jammerklacht, geen pijn, want wat er eerst was is voorbij.’ … … …

De stad schitterde door Gods luister, met een schittering als van een edelsteen, als een kristalheldere jaspis. Ze had een grote, hoge muur met twaalf poorten en bij elke poort stond een engel. Op de poorten waren namen geschreven: de namen van de twaalf stammen van Israëls zonen. … … …

De muur was gemaakt van jaspis, en de stad zelf was van zuiver goud, helder als glas. De grondstenen van de stadsmuur waren versierd met allerlei edelstenen. De eerste was van jaspis, de tweede van lazuur, de derde kornalijn, de vierde smaragd, de vijfde sardonyx, de zesde sarder, de zevende olivijn, de achtste aquamarijn, de negende topaas, de tiende turkoois, de elfde granaat en de twaalfde amethist. De twaalf stadspoorten waren twaalf parels, elke poort een parel op zich. De straten van de stad waren van zuiver goud en schitterden als glas. Maar een tempel zag ik niet in de stad, want God, de Heer, de Almachtige, is haar tempel, met het lam. 

 

 

Preek

Soms valt het niet mee om te geloven in God! Niet alleen vanwege het geloof zelf, dat je voor jezelf hebt uitgemaakt of er wél een God of niét een God bestaat, maar ook hoe je dat geloof handen en voeten moet geven.

Want hoe je het ook wendt of keert, als mens zit je wel in een wereld waar je beslissingen voor je leven moet nemen. Soms doe je iets, waarvan je verstand zegt, dat het dan maar zo moet, maar ergens diep in je hart ben je er toch niet helemaal gelukkig mee. Soms neem je beslissingen, of neem je bepaalde standpunten in, waar je later toch niet helemaal achterstaat. Het voelt niet goed, zeg je dan wel eens. Maar je doet bepaalde dingen toch!

En zeker voor mensen die hun geloof serieus nemen, botst het één en ander wel eens met je geweten. De bijbel heeft het over 'de naaste'; 'goed doen'; 'een wereldbeeld op grond van het doen van rechtvaardigheid', en de Tien Geboden als richtsnoer voor het leven. Prachtige woorden en zolang je niet in conflicten raakt, is er niks aan de hand.

Maar het wordt anders wanneer je voor het feit gesteld wordt dat je een keuze voor iets moet maken. En dat kan van alles zijn. Dat kan zijn of je als verpleegkundige wél of niet de krant uit de bus meeneemt, als je 's morgens bij een mevrouw van 95 jaar komt om haar te helpen met wassen en aankleden. Het officiële protocol luidt, dat deze mevrouw nog zelf haar krant uit de bus kan halen en dat dat haar zelfstandigheid bevordert. En je daarom niet de krant uit de bus mag meenemen! Terwijl je ziet dat die mevrouw dat eigenlijk niet meer kan, ook al heeft de indicatiecommissie vastgesteld, dat zij dit wél kan. En wat doe je dan in zo'n geval?

Of kort gezegd: Waarom ben je wel vóór het één en tegen het ander?

 

Het gemakkelijkst zou zijn als God je direct raad zou geven!

Je zit met een probleem; weet niet goed wat je moet doen en het mooiste zou dan zijn als God je direct even zou toeroepen wat je moet doen!

Want je kunt natuurlijk wel bidden voor bepaalde dingen, maar dat is maar éénrichtingsverkeer. Je moet dan maar de hoop blijven houden of het vertrouwen hebben of jouw gebed verhoord wordt ja ofte nee. En soms duurt dat wel even, terwijl jij nu juist voor een moeilijke beslissing staat. Wat zou het dan gemakkelijk zijn dat God direct, à la minute, antwoord geeft.

 

En dat kon, lezen we. In de tijd dat het volk van Oud-Israël onderweg was van Egypte naar het nieuwe land, kregen ze in de woestijn de Tien Woorden. Maar ze moesten ook een verplaatsbaar heiligdom maken. Een grote tent, die dienst moest doen als een soort van tempel. Zeg maar een soort van circustent, waar het volk bij elkaar kon komen voor hun godsdienstoefening maar ook als er iets aan het volk moest worden voorgelegd. En het moest natuurlijk een tent zijn want ze waren er nog niet. Om praktische redenen moest hij gemakkelijk opgezet kunnen worden. Stokken goed genummerd opdat je niet op de camping het tegenovergestelde van de Tien Geboden staat te jubelen omdat net die ene tentstok er niet bij zit voor de luifel. Maar Mozes is blijkbaar bij De Vrijbuiter geweest, want over dergelijke problemen lees je niks in de bijbel.

Wat we wél lezen dat is, dat voor je voor directe raad de Hogepriester kunt vragen. Want de Hogepriester die draagt op zijn borst een tas als een borstlap en op die tas zitten twaalf edelstenen. Daarnaast heeft die priester twee aparte stenen. De ene heet de Urim en de andere de Tummim. Zij betekenen letterlijk ‘het licht’ en ‘het donker’. Oftewel ja en nee.

 

Stel je nu voor dat Mozes als leider van het volk besluit om op te trekken, maar hij is er niet zeker van of God dit wel goedvindt. Dan gaat hij naar de priester. Deze priester hangt dan die borstzak met die twaalf edelstenen erop om zijn nek zodat die zak vóór zijn borst komt te hangen en doet vervolgens twee aparte stenen een witte en een zwarte steen in de zak. De ene staat voor ja en de andere voor nee. Vervolgens haalt hij één van die twee stenen er weer uit en stel dat dat de zwarte toermalijn is, dan is het antwoord aan Mozes: nee… je mag niet optrekken.

Onzin zul je denken. Voor hetzelfde geld neem je een muntstuk - bepaal van te voren of het kop of munt is, gooi de munt omhoog en kijk hoe de munt landt. Scheidsrechters weten hier alles van, want dát bepaalt wie de aftrap heeft en welke veldhelft je als eerste wilt bespelen. De kans is fifty-fifty, bij zoiets.

Maar dát is het NIET als die priester die twee stenen in die zak doet: de Urim en de Tummim. Ja… zul je zeggen; dan is het nóg 50% kans; waar hebben we het over. Nee… is de achterliggende gedachte; dan is het God die bepaalt of het ja of nee is. God spreekt dus via die Urim en die Tummim.

 

Wij als westerse rationele mensen kunnen met dit soort gedachten maar slecht uit de voeten. En dat komt omdat wij een Godsbeeld hebben, van iets ver weg, een kracht voor de mensen en waarin jij gelooft als mens.

Voor ons westerse mensen is het moeilijk voor stellen dat alles in de wereld is door­drongen van het goddelijke. Oosterse mensen hebben het met deze gedachten veel gemakkelijker. Zij gaan ervan uit dat alles in de wereld door de goddelijke wereld door­drongen is. Zij noemen het Tao. Overal zit Tao in. Zelfs bij voor ons dode dingen als een mes en een vork, dan nog zegt een boeddhist: Er zit Tao in.

Niet voor niets vegen boeddhistische monniken 's morgens vroeg hun zandpaadje met een bezem schoon om zo de torretjes, de vliegjes en de mieren te beschermen dat er niemand op zal gaan staan, want dan dood je een levend wezen van de wereld waardoor de wereld niet meer in harmonie is en weer tijd nodig heeft om die harmonie te herstellen.

Dus als een vervelende mug, 's avonds in de slaapkamer wat rond vliegt te zoemen, tot grote irritatie bij jezelf, omdat je graag wilt slapen en zodra jij het licht uitdoet de vlieg volop actief is, denk dan nog maar eens aan die Boeddhistische monniken, die dat zandpaadje schoonwegen.

 

Ons geloof van nu is in feite het geloof in een God als één persoon, die in ‘de hemel’ woont, en waarvan een kracht op de aarde uitgaat. Het is vooral vanuit de mens gedacht, in iets van een relatie hebben met deze persoonlijke God.

Wij hier in het westen hebben het over energie, waarvan de wereld is vervuld.  Wij denken vandaag in energievelden. Alles in de wereld herbergt energie en wisselt energie uit door straling. Soms kunnen we dat zien (licht) of voelen (warmte), of alleen meten, zoals röntgenstraling en gammastraling.

Vroeger werd dit begrip toegeschreven aan een god of soms ook meerdere goden. Dat hing er een beetje van af waar je woonde en welke godsdienst er werd aangehangen. Maar alles in de wereld was doortrokken van het goddelijke, zoals in het boeddhisme.

 

In de oudheid werd er dus niet over ‘energie’ gesproken, maar ging men ervan uit dat alles doordrongen was van het goddelijke en dat de priester een middelaar was tussen dat goddelijke en de mens. Daarbij speelde de met edelstenen bezette borsttas een rol.

Die stenen komen uit de aarde, en staan symbool voor de schepping. En wanneer de priester nu die borsttas om zijn nek doet, dan doet hij in feite de schepping om zijn nek, dan doet hij symbolisch gezien God om de nek, want alles was immers door God gemaakt zo was de redenering. En wanneer er dan die twee stenen werden ingeworpen, die Urim en die Tummim, dan was het God zélf die dus sprak, volgens de toenmalige opvattingen.

Edelstenen zijn zeldzaam, kostbaar en er kon een kracht vanuit gaan: warmte of koude oproepen bij de mens en soms ook ziekten bestrijden. En nòg wel wordt er een heilzame werking aan edelstenen toegeschreven! Door nu die borstlap om te hangen met die twaalf edelstenen, werkte dat in op de persoon van die priester.

 

Die twaalf edelstenen staan model voor Gods schepping. Die tas is dus eigenlijk God-zélf, zeg maar, en werd dus gebruikt als er snél beslissingen moesten worden genomen, die goddelijke goedkeuring behoefden.

Het was dus ook heel normaal, dat men ervan uitging dat God ook via die Urim kon spreken met mensen, zoals Saul ondervond toen hij raad nodig had of hij wél of niet moest optrekken tegen de Filistijnen. De tekst zegt dan ook zo mooi: dat God hem niet antwoordt noch door dromen, noch door profeten en nóch door de Urim. Dat betekent dat het gebruik van de Urim en die Tummim in Saul zijn tijd zo rond 1000 voor Christus nog gebruikt werd.

 

Toch is het te kort door de bocht om te zeggen dat die Urim en Tummim iets uit de oudheid was, wat inmiddels achterhaald is. Die twaalf edelstenen op de borst van de priester zorgen namelijk wél voor een stuk energie. Die twaalf edelstenen vormen in feite de schepping of als je de lijn doortrekt de God die deze schepping heeft gemaakt. En het geloven in God kan de mens óók energie geven voor het leven. Niet voor niets zegt het spreekwoord: De mens leeft niet bij brood alleen. Er is nog iets, dat de mens energie voor het leven geeft. wij noemen dat: geloof! De mens leeft niet alleen vanuit de materie en de constatering dat we alleen maar uit atomen en moleculen bestaan. Nee….er is nog een aspect waaruit de mens zingeving voor het leven put: en dat is het geloof. En zoals die twaalf edelstenen op die borsttas in feite de scheppingsgedachte uitstralen naar de drager, ervaren wij als mensen van deze tijd het geloof ook als een vorm van energie. En het is deze kracht van geloof die je nodig hebt voor beslissingen die je soms moet nemen. Die Urim en die Tummim zijn er niet meer, maar die stenen zijn nog overal in de wereld te vinden! Om de mens tot hulp te zijn voor de energie voor het leven. Geloven in God, is ook ervan uit gaan dat de mens niet zonder de energie van dit geloof kan. Zeker bij het nemen van moeilijke beslissingen.

 

Méér recente preken      (Sluit de pagina om terug te keren)