Gezamenlijke dienst van de gemeenten Haren, Roden, Steenwijk en Noordoost Nederland

in de doopsgezinde kerk in Haren

Zondag 20 mei 2012

Voorganger: A.T. van Kempen-Tollenaar

 

Thema: Ontmoeten

 

Orde van dienst

De liederen komen uit Tussentijds

Welkom

Lied 1: 1, 3, 4  De vreugde voert ons naar dit huis

Votum

Lied 1: 5, 6, 7

Voorbede

Lied 40  Laudate omnes gentes/Verblijdt u alle volken

Lezing Genesis 19: 1-11 

Lied 36: 1- 3  Wie in de schaduw Gods mag wonen

Lezing Efeziërs 2: 19-22

Lied 118: 1- 3  Licht dat ons aanstoot in de morgen

Overdenking: "Ontmoeten"

Korte stilte - Orgelspel

Gebed

Open ruimte

Collecte voor kinderherstellingsoord Siloam op Curaçao

Slotlied 211: 1- 4  God, schenk ons de kracht

Zegenbede met aansluitend Lied 162  Ubi caritas/Daar waar liefde heerst

 

Overdenking

Eerst vertel ik u wat voorafgaat aan de tekst van de brief aan de Efeziers: De apostel Paulus vormde overal waar hij kwam groepen waarin mensen elkaar ontmoetten, Joden en niet-Joden, vrijen en slaven, armen en rijken, mannen en vrouwen. Hij leerde ze naar elkaar te luisteren, elk in de voor hun vreemde traditie.

Ze leerden de afkeer en de angst voor elkaar toe te laten en uit te houden.

Paulus noemde hen een gemeente.

Met die gemeentes probeerde hij hier en daar een routekaart voor onderlinge vrede te maken. Er stond hem een nieuwe samenleving voor ogen. Over grenzen heen, voorbij grenzen. Dat doel dreef hem voort. Het was een kwestie van noodzaak, want de grens van de oude wereld was bereikt. Maar vooral was het een kwestie van hoop!

Alle ontmoetingen in ons leven hebben iets met ons gedaan! Ze hebben ons telkens weer veranderd. In het begin misschien maar een heel klein beetje, maar genoeg om te kunnen zeggen: er is geen weg terug; ik ben niet meer helemaal zoals ik was, toen ik de woorden van Paulus nog niet gehoord had.

Elke werkelijke ontmoeting brengt een stukje verandering tot stand. Mensen die zich afsluiten voor elke verandering worden eenzaam. Ze ontmoeten niemand meer!

Ont-moeten, ongedwongen met elkaar omgaan, elkaar beter leren kennen, betekent: jezelf in de ander herkennen.

Wat herkennen wij dan in elkaar? Voor ons, hier bij elkaar, is het de grondslag van ons doopsgezind zijn, omdat we gedoopt zijn op onze eigen geschreven geloofsbelijdenis.

Die ervaring maakt, dat we ons met elkaar verbonden voelen.

Ouderwets gezegd: we zijn verenigd tot enigheid.

De hedendaagse communicatie is een stuk gemakkelijker geworden. We hoeven geen rooksignalen meer te gebruiken, of morseseinen. We hebben direct contact met elkaar, alhoewel dat een stuk onpersoonlijker is geworden. Luistert u maar eens mee in trein of tram, als twee mensen op luide toon met elkaar telefoneren.

‘Waar ben jij nou?’  ‘Ik zit nu in de trein op weg naar.’  Bedenkt u zelf maar een plaats.

Mailtjes en Sms-berichten worden voornamelijk gebruikt om mededelingen te doen, of vragen te stellen. En op Facebook en Hyves lees ik de meest onbenullige berichten. Of ze roepen iedereen op om ergens voor- of tegen te stemmen.

Maar direct persoonlijk contact is er niet bij. Dat kun je alleen maar hebben, als je elkaar echt persoonlijk ontmoet en in de ogen kan kijken.

Wat een mooi woord is ont-moeten eigenlijk.

Door het woordje ‘ont’ is de handeling ontdaan van het ‘moeten’. Uit eigen vrije wil zijn we bij elkaar gekomen. En dan kunnen mensen voor elkaar een mantel van liefde zijn.

Ze kunnen troosten en geborgenheid geven. Ze kunnen echt luisteren naar elkaar.

Daarmee kunnen we de wereld herbergzaam maken en elkaar eigenwaarde geven. In het doen krijgen we vanzelf terug wat we geven. Al doende worden we zelf beter mens…

In kloosters heeft men de regel, dat men gasten nooit de deur mag wijzen, want in ieder van hen zou Christus zich kunnen openbaren. En dat is wat er daadwerkelijk gebeurde met de Emmaüsgangers…

Je hebt een vreemdeling nodig om jou het nog onbekende deel van jezelf aan het licht te brengen. Want dan ervaar je wat het is om zelf een vreemde te zijn voor de ander. En bovendien ervaar je je eigen grenzen en verlangens.

Anselm Gr­ün zegt: “Ontmoeting vindt altijd plaats aan de grens. Ik moet tot aan mijn grenzen gaan, het uiterste doen wat in mijn vermogen ligt, om bij de ander te komen. Als de ontmoeting lukt, zijn de grenzen niet meer star en vormen geen afscheiding meer.”

Een grens scheidt, beschermt en geeft identiteit. En dat geldt ook voor elk geloof.

Voor een echte ontmoeting, een hecht samenleven, is nabijheid nodig, maar ook afstand; het is een evenwicht tussen jezelf beschermen, en overgave. Of: tussen samen dingen doen, en tussen de confrontatie en eenzaamheid.

Grenzen stellen is dus van belang. Dat begint met goed luisteren naar jezelf.

Wat voelt goed en wat niet? We moeten signalen onderscheiden bij onszelf en bij anderen. Ook is het nodig om ‘nee’ te leren zeggen.

In het verhaal van Abraham en Lot krijgt het verhaal een onaangenaam vervolg:

Lot is als vreemdeling in Sodom gaan wonen. En Sodom staat bekend als een stad met een kwaad. Als Lot op een avond bezoek krijgt van twee mannen, is hij gastvrij.

Hij krijgt bezoek van engelen, zegt het verhaal, maar dat weet Lot niet.

Dan lopen alle mannen van Sodom te hoop en dwingen Lot om zijn bezoekers uit te leveren. Ze willen de mannen gebruiken en misbruiken. Er is bij hen geen sprake van gastvrijheid en ontmoeting. In tegendeel.

De bezoekers zelf voorkomen echter dat ze misbruikt worden. Ze verblinden de mannen van Sodom, waardoor dezen de engelen dus niet meer kunnen vinden.

Een ontmoeting is duidelijk niet hun bedoeling geweest. De mannen van Sodom, deze grens-schenders komen alleen om te halen en te nemen. Ze zien niet de behoeften en de waardigheid van de ander.


Ook in ons leven hebben alle soorten ontmoetingen iets met ons gedaan.

Ze hebben ons telkens veranderd. Misschien maar een heel klein beetje, maar genoeg om te kunnen zeggen: ik ben niet meer helemaal zoals ik was toen ik deze ervaring nog niet beleefd had. Elke werkelijke ontmoeting, goed of kwaad, brengt een stukje verandering met zich mee.

Verwende kinderen, die niet geleerd hebben aan een ander te denken, gaan jengelen, gaan voortdurend over grenzen heen. Ze beseffen niet dat er grenzen zijn. Als een kind die grenzen niet leert, kan het ook als volwassene een zeurend ontevreden mens blijven, dat naar zijn zin nooit genoeg krijgt…

Ons leven, draagt vrucht als het transparant is voor iets dat groter is dan wijzelf. En dat is, als we aangesloten zijn op de stroom van goddelijke liefde. Dat voel je, dat merk je aan wat het teweeg brengt.

Waar je het leven beaamt en daarin je eigen maat vindt, daar gaat het stromen. Niet alleen voor jezelf maar ook voor anderen. Want een bron wil uiteindelijk stromen.

Water blijft alleen fris en verfrissend als het stroomt. Anders wordt het smakeloos en verliest het zijn kracht.


 “We hebben een nieuwe hemel en een nieuwe aarde nodig”, heeft Dorothee Sölle gezegd. We hebben een andere wijze van leven, van handelen, van delen en van liefhebben nodig. Want de oude aarde”, zei ze, “is besmeurd met bloed, verscheurd door oorlogen. Bossen sterven, velden verdrogen. Op onze oude aarde voeren we de almacht van wapens uit en halen we het volkerenrecht omver. Terwijl kinderen sterven, omdat de schreeuw om voedsel niet beantwoord wordt.”

Wij allen samen, zwart en blank, zegt bisschop Tutu, kunnen leven in een nieuwe maatschappij waar mensen tellen, niet vanwege hun huidskleur of ras. Maar waar mensen tellen, omdat ze geschapen zijn naar het beeld van God. Waar mensen kunnen samenleven als één grote familie, zoals God het bedoeld heeft. Gods bedoeling kan niet voor eeuwig gedwarsboomd worden. Dus zegt God: “Wil jij, en jij en jij, mijn partner worden om Mij te helpen zorgen dat dit gaat gebeuren? Wil je dat? Wil je mijn partner worden? Wil je mijn medewerker worden? Wil je Mij helpen om het anders te maken: de verschrikkingen, de haat, de zorgen, de angst, de scheiding, de honger, de oorlog, de dood en de verwoestingen? Wil je Mij helpen om dat te veranderen?”

Aan onze goddelijke afkomst zijn wij verplicht om mee te werken met God om de aarde leefbaar te houden. Maar waar moeten we beginnen? Ik denk dat het begint met de ontmoeting van onze medemens. Maar hoe herkennen we in onze medemens.

Er is een chassidisch verhaal, waarin dat verteld wordt:

Een rabbi vroeg aan zijn leerlingen: “Hoe bepaal je het moment waarop de nacht ten einde is en de dag begint?”

Een van de leerlingen zei: “Wanneer je in de verte een hond van een schaap kunt onderscheiden.”

‘Nee’, antwoordde de rabbi.

“Wanneer je dan in de verte een dadelboom van een vijgenboom kunt onderscheiden?”

‘Nee’, antwoordde de rabbi.

“Maar wanneer dan?”, vroegen zijn leerlingen.

De rabbi zei: ‘Wanneer je in het gezicht van een mens kijkt en daarin je zuster of je broeder ziet. Dan weet je dat de nacht voorbij is en de dag is aangebroken’.

God heeft mensen nodig. Hij heeft in deze wereld geen andere handen dan de onze om iets te doen. God heeft ons nodig. Denken we er wel eens aan, dat ook God eenzaam kan zijn? Eenzaam, omdat wij het laten afweten.   

Soms vraag ik me af waarom er onder ons geen taal bestaat die spreekt van liefde voor God, maar alleen de versleten taal die spreekt van een God die ons liefheeft, ons beschermt en beslist niets van ons vraagt.

Wij hebben God nodig. Niet als de grote regelaar, maar als uitdrukking van iets groters dan wijzelf, als bron van leven die er al was vóórdat wij er waren.

Een ervaring van het opgetild worden boven het alledaagse kun je niet bewerkstelligen. Het overkomt je in de natuur, in stilte, door kunst of muziek.

In een moment van ontroering, verwondering of verlangen ontsluit zich een andere dimensie. Het zijn momenten waarop je boven tijd en ruimte uitstijgt en deel krijgt aan een werkelijkheid die groter is dan jezelf. Astronauten in de ruimte vertellen, dat ze deze ervaring hebben ondergaan.

“Wil je God ervaren, open dan je zintuigen. Want wie zijn zintuigen scherpt voor wat er om hem heen gebeurt, die ervaart God”.

Mensen zitten vol gedachten. Want dat denken gaat maar door: gedachten komen en gedachten gaan. Het is een oneindige stroom. Zinnige en vooral niet-zinnige gedachten. Gek word je er soms van! Alleen op heel zeldzame momenten ben je ineens even uit die stroom. Dan ben je los van alles, opgenomen in een vrede die alle verstand en alle gedachten te boven gaat. Dat zijn genade-momenten, want je maakt ze eigenlijk niet zelf, je krijgt ze. Ze overkomen je. Zelfs als je veel mediteert, de stilte opzoekt, of de binnenkamer van het gebed, schep je hoogstens voorwaarden, het moment zelf is een cadeautje. Je had er misschien op gehoopt, maar dat je het zou krijgen is toch een verrassing. Alleen: zodra je zo’n moment beseft, is het alweer voorbij.

Geloven is: God ervaren met hart en ziel. Bij het ervaren met hart en ziel gaat het om het kennen van ‘iets’, dat ik ervaar als komend van buiten mij. Dan beleef ik een gods-ervaring. Dan voel ik mij aangesproken door de Ander-met-een-Hoofdletter, die we aanduiden als God.

God creëert de mens uit stoffelijke elementen, maar voor de vorming van de geest is iets anders nodig dan materie, namelijk - zoals in de bijbel staat -: Gods adem.

In het scheppingsverhaal uit de joodse Dasberg-vertaling (Genesis 2:7) staat het op beeldende wijze zo: “gemaakt van aardse stof en door de goddelijke levensadem geworden tot een bezield wezen”.

Voor veel mensen is het een eyeopener om God te ervaren als de veranderende beweging in de kosmos. God als een komen en gaan, als de golven van de zee, als leven of liefde; en mensen als een onderdeel daarvan, met een goddelijke kern in zich. Dit geeft niet een nieuw zicht op God, maar een andere relatie tot de wereld – een relatie die de ogen van God heeft geleend. Het is een wisseling die ontstaat uit het één zijn met alle leven.

Jezus heeft ons voorgedaan hoe hij geleefd heeft.

Met innerlijke bewogenheid bouwde hij aan een wereld zoals God die bedoeld heeft. Die weg kunnen we gaan als we ons bewust zijn van de goddelijke vonk die we bij onze geboorte hebben meegekregen. Het is de ervaring van er te mogen zijn – de allereerste gave die ons geschonken is. En van daaruit dan ook de impuls om naar je medemens om te zien en deze te willen ontmoeten.

Wat zo fijn in dit leven is, dat je iedere dag weer opnieuw mag beginnen. Maar een nieuw begin kan niet zonder het oude. Je neemt altijd jezelf mee, met de herinnering aan alle ervaringen en ontmoetingen die je gehad hebt. En je begrenzingen in tijd en ruimte.

Dat beteken niet het verleden loslaten, maar vanuit het oude leven openstaan voor vernieuwing en te proberen te leven, zoals God ons bedoeld heeft te zijn.

 

Méér recente preken      (Sluit de pagina om terug te keren)