Doopsgezinde Gemeente Haren

Zondag 22 februari 2009

Voorganger: zr. H.P. Kieft-van der Sande

“Vergeving”

 

Orde van dienst

Welkom en mededelingen

Samenzang: Lied 21 : 1, 2 (Liedboek voor de Kerken)

Votum

Samenzang: Lied 21 : 6, 7

Gebed

Samenzang: Lied 322

Schriftlezing: Psalm 25

Samenzang: Lied 448 : 1, 2, 3

Schriftlezing Matteüs 18 : 21 t/m 35

Samenzang: Lied 328

Inleiding

Samenzang: Lied 463

Overdenking

Stilte

Orgelspel

Gebed

Open ruimte

Collecte

Samenzang: Lied 481

Zegenbede

 

Inleiding

Zusters en broeders,

Vanmorgen wil ik met u samen over “vergeving” nadenken.

In de bijbelgedeelten ging het daarover en er kwam mij daarbij nog een ervaring van Simon Wiesenthal in gedachten. Deze wil ik u ook graag kort vertellen.

U kent waarschijnlijk de naam Simon Wiesenthal. Wiesenthal was een overlevende van de Holocaust en heeft zich na de 2e wereldoorlog ingezet om op basis van documentatie oorlogsmisdadigers op te sporen en te laten berechten. Van hem persoonlijk zijn er 89 familieleden in de oorlog omgekomen.

Toen Wiesenthal zelf voor de eerste keer gevangen genomen werd, heeft hij tevergeefs geprobeerd een einde aan zijn leven te maken.

Na de oorlog heeft hij een boek geschreven: De zonnebloem. Daarin gaat het om ‘vergeving’. Niet als theoretisch begrip, maar zoals hij dat zelf als existentieel probleem heeft ondervonden.

Ik wil graag een korte samenvatting geven van het eerste deel van dit boek. Het gaat over een aangrijpende gebeurtenis in Wiesenthal’s leven.

Wiesenthal heeft later een groot aantal personen om reacties op zijn probleem gevraagd; hoe zij in zijn plaats gehandeld zouden hebben.

Het tweede deel van het boek bestaat uit de reacties van deze personen, onder wie: Abraham Heschel, de Dalai Lama, Primo Levi, Herbert Marcuse, Dorothee Sölle.

Ik vertel nu in het kort waar het om gaat.

 

Op een heldere, zonnige dag, toen de groep gevangenen waarbij Wiesenthal was ingedeeld, een ziekenhuis voor oorlogsgewonden moest schoonmaken, kwam er een verpleegster op hem toe. “Ben jij een jood?” vroeg ze aarzelend en ze gaf hem vervolgens een teken haar te volgen. Bang volgde Wiesenthal haar de trap op, toen een gang door tot ze een donkere, muf ruikende kamer bereikten waarin een eenzame, in verband gewikkelde militair lag. Het hoofd van de man zat helemaal in het verband met openingen erin voor zijn mond, neus en oren.

De verpleegster vertrok, trok de deur achter zich dicht en liet de jonge gevangene met de spookachtige figuur alleen. De gewonde man was een SS-officier en hij had Wiesenthal laten halen om op zijn sterfbed een bekentenis af te leggen. “Ik heet Karl”, zei een krassende stem die ergens uit het verband opsteeg. “Ik moet je over die verschrikkelijke daad vertellen – ik moet je die vertellen omdat je een jood bent”. Karl begon te vertellen dat hij katholiek was opgevoed en als kind geloofd had. Tijdens zijn verblijf bij de Hitlerjugend was hij zijn geloof kwijtgeraakt. Hij meldde zich later vrijwillig aan bij de SS, had een goede staat van dienst opgebouwd en was kortgeleden zwaargewond van het Russische front teruggekeerd.

Terwijl Karl zijn verhaal probeerde te vertellen, deed Wiesenthal drie keer een poging om een paar stappen achteruit te doen alsof hij weg wilde gaan. Iedere keer greep de officier zijn arm met een witte, vrijwel bloedeloze hand. Hij smeekte hem te luisteren naar wat hij kort tevoren in de Oekraïne had meegemaakt.

In de stad Dnjepropetrovsk, die door de zich terugtrekkende Russen was opgegeven, was Karls afdeling in een mijnenveld terechtgekomen waarbij dertig soldaten waren gedood. Als vergeldingsmaatregel dreef de SS driehonderd joden bij elkaar in een gebouw met drie verdiepingen, besproeide het met benzine en beschoot het met granaten. Karl en zijn mannen stonden om het huis heen en schoten iedereen die probeerde te ontsnappen neer.

“Het gegil dat uit het huis opklonk was verschrikkelijk”, zei hij, terwijl hij in gedachten het moment weer opnieuw beleefde. “Ik zag een man met een klein kind in zijn armen. Zijn kleren stonden in brand. Naast hem stond een vrouw, ongetwijfeld de moeder van het kind. Met zijn vrije hand bedekte de man de ogen van het kind en sprong de straat op. Direct daarop volgde de moeder. Toen vielen uit de andere ramen brandende lichamen. Wij schoten ….O God!”

Al die tijd hoorde Simon Wiesenthal de Duitse soldaat zwijgend aan. Karl vertelde nog andere gruwelen, maar steeds kwam hij weer terug op dat tafereel van die kleine jongen met zwart haar en donkere ogen die van het gebouw afviel en een schietschijf werd voor SS-geweren. “En nu wordt ik hier achtergelaten met mijn schuld”, zo besloot hij tenslotte:

“In de laatste uren van mijn leven ben jij bij mij. Ik weet niet wie je bent, ik weet alleen dat je jood bent en dat is genoeg.

Ik weet dat wat ik je verteld heb, verschrikkelijk is. In de lange nachten dat ik heb liggen wachten op de dood, heb ik er steeds maar weer naar verlangd om er met een jood over te praten en hem om vergeving te vragen. Maar ik wist niet of er nog wel joden overgebleven waren … Ik weet dat wat ik je vraag eigenlijk teveel voor je is, maar zonder je antwoord kan ik niet in vrede sterven”.

 

Simon Wiesenthal, een architect van voor in de twintig, nu gekleed in een voddig uniform met de gele davidsster erop genaaid, voelde de verpletterende last van zijn jood-zijn zwaar op zich drukken. Hij staarde uit het raam naar de zonovergoten binnenplaats. Hij keek naar die in verband gewikkelde mummie zonder ogen die daar op het bed lag. Hij zag een grote bromvlieg, aangetrokken door de geur, om het lichaam van de man heen zoemen.

“Tenslotte kwam ik tot een besluit”, schrijft Simon Wiesenthal, “en zonder een woord te zeggen verliet ik de kamer”.

Uiteindelijk is de SS-officier kort na het gesprek met Wiesenthal gestorven zonder vergeving te hebben gekregen.

 

Overdenking

Simon Wiesenthal overleefde de concentratiekampen en werd op 5 mei 1945 door Amerikaanse troepen uit het concentratiekamp Mauthausen in Oostenrijk bevrijd.

Maar de gebeurtenis in de ziekenkamer bleef hem achtervolgen. In de daaropvolgende jaren heeft Wiesenthal een aantal rabbi’s en priesters gevraagd wat zij gedaan zouden hebben. Tenslotte meer dan 20 jaar na de oorlog schreef hij het verhaal op en zond het toe aan ethici die hij kende: joden en niet joden, katholieken, protestanten en niet godsdienstigen. Dsaarbij stelde hij de vraag:  “Wat zou u in mijn plaats gedaan hebben?”

Van de 32 mannen en vrouwen die in eerste instantie hun reactie hebben gegeven, vonden de meesten dat Wiesenthal juist had gehandeld. “Sommige misdaden zijn te erg om te vergeven”, vonden zij.

Er waren erbij die zelfs aan het hele begrip vergeving hun twijfels hadden.

Zes van de 32 waren het niet met Wiesenthal eens en vonden dat hij de officier wel had moeten vergeven. Twee van deze 6 wezen op het geweten van Wiesenthal dat nog steeds opspeelde en dat alleen tot rust zou kunnen komen door vergeving.

Eén van hen zei: “Ik kan wel begrijpen dat je hebt geweigerd om hem te vergeven. Dat is ook in overeenstemming met het Oude Testament. Maar vanuit het Nieuwe Testament, als je gelooft in de woorden die Jezus sprak, denk ik dat ik hem zou hebben vergeven”.

 

Bij het lezen van de goed geformuleerde reacties die Wiesenthal kreeg, wordt je getroffen door de heldere logica waarmee geredeneerd wordt.

In een wereld waarin zulke onvoorstelbare gruweldaden worden gepleegd, lijkt vergeving inderdaad onrechtvaardig, oneerlijk tegenover de slachtoffers.

Maar aan de andere kant, wat als er geen vergeving zou zijn?

Dan is er sprake van een permanente houding van onverzoenlijkheid. Het gevolg daarvan is vaak een eindeloze kettingreactie van vergeldingsacties. Dat betekent op grote schaal, in de betrekkingen tussen staten dat er nooit een einde zal komen aan de behoefte aan wraakacties.

Zo wordt de weg naar vrede geblokkeerd.

Op kleine schaal geldt hetzelfde, als mensen geen pardon kennen. Dat kan zich uiten in hatelijkheden die steeds weer worden teruggekaatst. Hoofden die worden afgewend. Als we de weg van vergelding kiezen, komen we er niet meer uit.

Vriendschappen en familierelaties gaan onherstelbaar kapot. Het kan verwoestend zijn voor het leven van de ander en ook voor je eigen leven.

Je bevrijdt de ander niet van schuld, maar zelf ben je ook niet vrij. Je wordt een gevangene van boosheid en wrok.

Dit zijn verstandelijke opmerkingen. Maar doe het maar eens, iemand vergeven die je vreselijk diep gekwetst heeft. Als je dat ervaren hebt, weet je hoe moeilijk dat is. Trouwens zelfs bij kleinere dingen kan het tóch moeilijk zijn om je gelijk,  je eer, je recht in te leveren.

Als ik de levensverhalen van mensen hoor, ook over pijn door anderen hen aangedaan en als ik dan hoor dat ze dat vergeven hebben, dan denk ik: hoe heb je dat kunnen opbrengen. Maar tegelijk zie ik ook dat het goed voor hen is geweest, dát ze het vergeven hebben. Het geeft bevrijding. Vergeven is immers de enige manier om het kwaad te verhinderen voort te woekeren en zijn vernietigend werk verder te doen. Het kwaad heeft dan niet het laatste woord. We geven de ander én krijgen zelf een kans voor een nieuw begin.

Verder is het goed te bedenken dat wijzelf anderen ook kunnen kwetsen, gewild of ongewild.

 

Opvallend in de bijbel is, dat als we als mensen elkaar pijn doen, dat ook met God in verband wordt gebracht. We kwetsen daarmee ook God. Een gedachte die voor ons misschien moeilijk is.

Als David in psalm 25 God bidt om vergeving, heeft dat te maken met zijn fouten die hij in zijn verleden maakte tegenover anderen, en dáárdoor tegenover God.

In onze tijd is het bidden om vergeving en ook het begrip vergeving zelf, bij velen in diskrediet geraakt.

Misschien voelen we, als we vergeving vragen dat ook als een aanslag op ons gevoel van eigenwaarde? Je maakt je klein en dat is nooit zo prettig.

Of misschien vinden we het te gemakkelijk met het oog op onze eigen verantwoordelijkheid?

Maar het vergeven door God van onze schuld, houdt zeker geen gemakkelijke, goedkope afrekening met ons verleden in. Het veronderstelt dat we onze schuld niet vergeten of verdringen, maar onder ogen zien en zo mogelijk proberen te herstellen.

Petrus vraagt aan Jezus in het tweede bijbelgedeelte dat we lazen, hoe vaak we onze naaste moeten vergeven als deze ons iets misdoet.

Het antwoord is 70 x 7 keer. Met andere woorden, zó vaak dat vergeving (barmhartig zijn) eenvoudig een kwestie van levenshouding moet worden.

Naar aanleiding van Petrus’ vraag vertelt Jezus dan de gelijkenis van een Koning (dat is God) en een dienaar die we ook net hoorden. De koning vraagt zijn dienaar om verantwoording. Dan blijkt dat de dienaar hem 10.000 talenten schuldig is, een onmogelijk af te betalen schuld; in orde van grootte van een miljoen euro. Dat betekent in die tijd dat de dienaar op de slavenmarkt verkocht zal worden.

Nog het ergste is dat hij het vertrouwen van de koning heeft geschonden.

Maar, hoe kan het, de koning krijgt medelijden met de man in zijn ellende. En hij scheldt hem de volledige schuld kwijt. Hij lijdt zelf de schade en geeft de man zijn leven terug.

Dan gebeurt het dat de dienaar een ander tegenkomt die hem een schijntje schuldig is. Maar hij staat op zijn recht, zodat die ander in de gevangenis belandt.

Hoe kan het? Heeft hij niet begrepen wat hijzelf ontvangen heeft?

De vergeving die hij heeft gekregen, heeft niets met hem gedaan, heeft zijn hart niet veranderd.

Je eigen schuld vergeven krijgen en zelf een ander niet vergeven, dat is onmogelijk.

Jezus heeft ons de woorden van het ‘Onze Vader’ leren bidden.

Daarin bidden we: Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven (hebben) onze schuldenaren.

Als we dat bidden zijn wíj degenen aan wie de 10.000 talenten zijn kwijtgescholden.

Wij kunnen en moeten vergeven vanuit de aan onszelf geschonken vergeving.

Leven vanuit die vergeving kan niet zonder zelf te vergeven.

 

Amen.

 

 

Méér recente preken      (Sluit de pagina om terug te keren)