Doopsgezinde Gemeente Haren

Dienst 29 november 2009, Eerste Adventszondag

Voorganger: ds. G.G. Hoekema

 

Orgelspel

 

Woord van welkom en mededelingen

 

Lied van de Gemeente: ‘Bijeengeroepen uit onze huizen’

 

Votum

Onze hulp is in de naam van de Eeuwige, God, onze Vader, schepper van hemel en aarde, die ons geroepen heeft om te leven, samen met hem en met haar, samen met jong en oud tot vrede op heel de aarde, in het spoor van Jezus, onze Heer. Amen

 

Eerste Advent: Aansteken van de eerste adventskaars

Advent dat is dromen

dat Jezus zal komen,

dromen van vrede

voor mensen van heden,

dromen als ’t moet

dat Hij komt voorgoed.

Advent dat is dromen

dat Jezus zal komen.

 

De Bijbel gaat weer open op deze eerste zondag van het kerkelijk jaar

 

Lied van kinderen en Gemeente, daarna gaan de kinderen naar hun eigen ruimte en krijgen een lichtje mee

 

Gebed

God die met ons is,

In deze ruimte zoeken we U, God, zoals we U noemen. Komend van alle kanten samen om U.

In U herkennen we de betekenis van ons leven, in U herkennen we de waarden, de normen, de deugden die voor het samenleven wezenlijk zijn.

In de herfst van dit seizoen, en voor velen van ons ook een beetje in de herfst van ons leven zoeken we het leven en de toekomst die boven dagen en jaren uitgaat en een vrede die alle verstand te boven gaat.

In dit uur zoeken we rust om ons leeg te maken van de drukte om ons heen, om ons bereid te maken om te horen, om te zingen van uw naam, om te leven in uw naam

Samen bidden wij U voor ons hier en voor de kinderen om ons heen, maar ook voor hen die hier niet kunnen komen, of die hier niet willen komen, of niet durven komen, of zich verhinderd voelen om te komen, misschien wel door woorden en daden van ons.

Wees met ons met uw geest, wees met ons met uw adem, wees met ons met uw licht, dat bidden wij U in alle oprechtheid.

 

Inleiding op de dienst

De eerste adventszondag is het begin van de Kersttijd. Meestal staat die adventstijd al helemaal in dienst van de viering van de geboorte van Jezus, de komst van Christus in deze wereld. Daar zijn we al zozeer mee bezig dat de voorbereiding op Kerst net zo druk is als Kerst zelf. En zeker in een land waar het Sinterklaasfeest aan het begin van de Adventstijd valt.

Vaak had ik met Kerst niets meer te vertellen, omdat ik dat 4 weken lang in adventsdiensten, advents- en kerstoverwegingen, advents- en kerstavonden al gezegd had. Kerstmis was een herhaling van zetten, in plaats van het hoogtepunt.

Daarom vandaag geen lezingen uit de bekende hoofdstukken van Jesaja, hoewel het Jesaja-gedeelte van vandaag ook niet onbekend is, maar vooral een lezing van overgave, van bezinning, zo ook uit Job, meestal niet gelezen in deze tijd. Ik weet niet of dat lukt, die bezinning, want ik ben daar niet zo goed in, maar ik heb ook geen zin om nu weer over de aankondiging van de geboorte van Johannes of van Jezus te spreken en over het rijsje uit de tronk van Isai. De overgave van Job en de steppe die gaat bloeien. Daar gaat het over.

 

Lied van de Gemeente: ‘Wij zoeken hier uw aangezicht’

 

Schriftlezing: Job 38: 1 - 21

Dan antwoordt de ENE Job vanuit het onweer en zegt:

wie is dat die mijn raad verduistert met een betoog zonder iets te weten?

Omgord toch als een kerel je lendenen,–

ik zal je vragen stellen en laat jij dan mij alles weten!

Waar was jij toen ik de aarde fundeerde?–

meld het, als je weet hebt van begrip!

Wie heeft haar afmetingen bepaald, want dat wéét je toch?–

of wie heeft over haar een meetsnoer uitgespannen?

Waarop zijn haar sokkels afgezonken,–

of wie was de steller van haar hoeksteen,

bij het eenparig gejuich van de morgensterren,–

en het geschal van alle zonen van God?

Wie sloot de zee op tussen deuren,–

toen hij uitbrak, uit de baarmoeder uittoog?

Toen ik het wolkendek maakte tot zijn kleed,

een regensluier tot zijn windeldoek,

over hem mijn wet stelde,–

en aanbracht sluitbalk en deuren, en zei:

tot hiertoe kom je en niet verder,–

hier wordt paal en perk gesteld aan de hoogmoed van je golven!

Heb jij ooit van jouw dagen de ochtend ontboden,–

het morgenrood zijn plaats laten weten?,

dat het de vleugels van de aarde moest aangrijpen,–

en de boosdoeners van haar zouden worden afgeschud,

en zij verandert zoals leem onder een zegel,–

veelkleurig wordt zoals een kleed:

aan de boosdoeners wordt hun licht onthouden,–

de hooggeheven arm wordt gebroken.

Ben jij gekomen tot de bronnen van de zee,–

in het ondoorgrondelijkste van de oervloed heb jij omgewandeld?

Zijn aan jou onthuld de poorten van de dood,–

zodat je de poorten van de doodsschaduw zag?

Reikt je begrip tot aan de breedten van de aarde?–

meld het, als je alles van haar weet!

Waar is de weg naar waar het licht woont,–

en het duister, waar dan is zijn plaats?,

zodat je het kunt wegbrengen naar zijn gebied,–

dat je het kunt helpen komen op de banen naar zijn huis!

Jij zult dat wel weten, want je was toen al geboren,–

in aantal zijn je dagen véle!

 

Lied van de Gemeente: ‘In de Heer schep ik mijn vertrouwen’ (Taizé)

 

Schriftlezing: Jesaja 35

Woestijn en dorre vlakte zullen zich verblijden,–

de steppe zal juichen en bloeien, als een roos

bloeien en bloeien, en juichen,

ja met gejuich en gejubel;

de glorie van de Libanon zal haar worden gegeven,

de luister van de Karmel en de Sjaron;

zij zullen zien de glorie van de ENE, de luister van onze God!

Versterkt dan nu de slappe handen,–

maakt knikkende knieën weer stevig.

Zegt tot de gehaasten van hart:

weest sterk, vreest niet!–

ziehier, uw God zal komen met wraak,

goddelijke vergelding,

hij zal komen en u bevrijden.

Dan zullen de ogen van de blinden worden ontsloten,–

en de oren van de doven worden geopend.

Dan zal een lamme springen als een hert

en jubelen de tong van een stomme;

ja, dan wellen waterstromen op in de woestijn

en beken in de steppe.

Het spiegelende land zal worden tot een moerassig meer,

een streek van dorst tot fonteinen van water;

in de streek waar draken zich neervlijen

zal gras zijn, met riet en biezen.

Wezen zal daar dan een heirbaan, en die weg:

‘weg tot heiliging’ zal tot hem worden geroepen,

geen onreine zal over hem voorbijgaan,

hij is voor zijn gemeente,–

die de weg gaat;

dwazen zullen er niet dwalen.

Er zal daar geen leeuw zijn

en geen verscheurend wild zal erover opklimmen,

het zal niet te vinden zijn daar;

voortgaan mogen verlosten,

de vrijgekochten van de ENE zullen terugkeren

en in Sion aankomen onder gejubel

en met vreugde voor eeuwig op hun hoofd;

vrolijkheid en vreugde zullen hen bereiken

en vluchten zullen verdriet en gezucht.

 

Lied van de Gemeente: ‘De steppe zal bloeien’

 

Preek

 

Zusters en broeders,

Geloven is in wezen, bijbels gezien, in de synagoge en oorspronkelijk ook in het Christendom: ethiek. Hoe leven we, volgens welke regels gaan we met elkaar om op deze aarde.

En in dat leven op de aarde, samen, met haar en met hem, bestaat een ritme. Het ritme van de tijd, van de seizoenen, van leeftijd, of zoals het ooit genoemd werd: de adem van het jaar. Van de Paastijd naar de Pinkstertijd, naar de groene, zomertijd, naar de herfsttijd en naar de Kersttijd om dan weer aan te komen bij de Paastijd. In dat ritme is vorige week de bijbel dichtgedaan op de laatste zondag van het kerkelijk jaar en vandaag weer opengeslagen. In de synagoge gebeurt dat op een iets andere manier op het feest van Simchat Thora, wanneer het laatste deel uit Deuteronomium gelezen wordt en direct in dezelfde samenkomst het eerste deel van Genesis en zo wordt dan opnieuw de bijbel, in dit geval de Thora, ter hand genomen en gelezen. En er wordt ook nog met die Thora-rol gedanst en ieder raakt de rol aan, of kust hem.

In dat ritme past ook pas op de plaats. Je bezinnen op hoe je leeft, wat de grondwaarden zijn van je leven, wat jouw plaats is in het leven, je leven thuis, in de buurt, in het gezin, op je werk, in de wereld. Wie ben ik, waar sta ik, wat bezielt mij?

 

Vragen die we eerst maar eens moeten stellen voor we in Kerst terechtkomen.

Het verhaal van Job is een onwaarschijnlijk verhaal, maar dwingt ons wel om na te denken: wie zijn we?

Job is een rechtvaardig mens, die getroffen wordt door groot ongeluk: dood en ziekte, en maatschappelijk ongeluk, hij komt op de afvalhoop terecht. En hij vraagt zich af, waar hij dit alles aan te danken heeft. Vragen wij ons dat wel eens af, wij die over meer kennis bezitten van gezondheid, van handel, denk ik. Voor hem gold het als een straf van God. En hij begreep maar niet waarom. Hij leefde als een rechtvaardig mens, het hoogste wat je bijbels gezien kan zijn.

Wat ging er mis? Er ging niets mis. Misschien alleen die vraag: Waar heb ik het aan te danken, waarom straft God mij? Zijn vrienden, je zal maar zulke vrienden hebben, zeiden: het kan niet anders of je hebt toch God geschoffeerd. Geef het toe. Maar Job zette de hakken in het zand en gaf niet thuis. Hij had God niet geschoffeerd.

Uiteindelijk spreekt God. En God zet hem op zijn plaats: Job wie ben je. Waarom geef je mij de schuld van je ongeluk. Wie ben jij om mij ter verantwoording te roepen. Wie ben je: Heb jij hemel en aarde gemaakt? Waar was je aan het begin van de schepping, dus eigenlijk: waar was je, toen de orde van leven werd vastgesteld?

Wij leven in een tijd dat we alles naar onze hand willen zetten en vaak ook kunnen zetten, tot ons iets overkomt, wat we niet ingecalculeerd hadden, iets onschuldigs, of iets diepernstigs en dieptragisch. Soms aanvaarden we dat als een lot dat over ons valt, soms niet en schelden we het ambulancepersoneel uit en bedreigen hen als ze niet onmiddellijk zorgen dat de patiënt beter wordt. Of we geven de banken de schuld, of de politiek, of de hoge heren, of die roekeloze jongeren, of al die buitenlanders.

Wie zijn we, waar waren we toen de grondwaarden voor het leven werden vastgesteld? Hoeveel recht hebben we om anderen ter verantwoording te roepen?

Maar wie zijn wij? Hoe durven wij in het leven te staan met alles wat er gebeuren kan aan goed en kwaad? Zijn wij mensen die onze eigen verantwoordelijkheid kunnen dragen, zijn we mensen die de rauwe kanten van ons bestaan kunnen aanvaarden? Zijn we mensen die zo evenwichtig zijn dat we verder durven te gaan in ons leven, ook als het leven zich anders ontplooit dan wij gedacht, verwacht, bedoeld en gehoopt hadden? Weten we wat we denken, verwachten, bedoelen, hopen?

Hopen we alleen welvaart, hopen we alleen maar gezondheid, bedoelen we alleen maar eeuwig leven, denken we dat iedereen maar aardig is voor ons, of denken wij dat wij alleen maar aardig zijn voor anderen? Waar gaat het ons in diepste wezen om in ons leven. Spoort dat met de grondwaarden van het leven: leven met haar, leven met hem, waar zit onze ziel: gevangen in ons zelf, of zich ontplooiend tussen hem en mij, tussen haar en mij?

Waar zit onze ziel, in de ontmoeting met wie, of wat we God noemen, horend, voelend, ervarend wat deze wat of wie, die we God noemen te zeggen, te bedenken, te verwachten, te hopen heeft, of in de toch eigenlijk heilloze autonomie van ons ik. Waar was ik, toen hemel en aarde geschapen werden? Heb ik het geschapen, heb ik de grond onder mijn voeten geschapen, heb ik de zeeën die ik bevaar geschapen? Heb ik de grenzen vastgesteld van chaos en orde. Wat is mijn rol op aarde?

Job dacht even dat hij het allemaal wist, dat hij de president-directeur was van het leven, dat hij het leven, en het lot, en Gods wil in zijn zak had zitten, zonder te bedenken dat het laatste hemd geen zakken heeft. Er komt een moment dat je het uit handen moet geven, je leven, je controle over het leven, je zeggenschap.

Dat verandert niet of je nu gelooft dat God alles geschapen heeft, of dat je gelooft dat alles in een zekere evolutie is gevormd. In beide gevallen,- ik kies voor het laatste, maar gebruik de taal van het eerste, - in beide gevallen maak je slechts deel uit van het leven. En in dat leven zul je veel kunnen winnen, maar ook veel kunnen verliezen. In dat leven zul je in de hand houden, maar ook uit handen moeten geven. Erkennen dat niet jij het bent, die het leven bezit, bestuurt, maar dat je inderdaad, deel uitmaakt van het leven.

 

Maar dat moment van uit handen geven is ook een nieuw begin. Dat moment van uit handen geven is ook een ander begin. Het kan ook een nieuwe oriëntatie zijn op jezelf, op de ander, op de wereld, en wellicht kun je dan die nieuwe oriëntatie daarom als een nieuwe andere wijze van leven beleven, omdat je je niet autonoom opstelt, maar onder de hemel van wat of wie we God noemen. We komen in een ander licht te staan, zou je kunnen zeggen, we staan letterlijk op een ander standpunt ten aanzien van de ander, de wereld, ten aanzien van God.

Jesaja zet een beeld voor ons neer van een nieuw begin, van een nieuwe oriëntatie, een ander standpunt. De steppe zal bloeien, naar de woorden van het lied dat we zongen. De wereld kan anders zijn, je kunt er als bevrijde mensen leven, bevrijd van de last van de slavernij, de slavernij aan anderen, mensen en machten, de slavernij aan je eigen autonomie, je eigen God willen zijn. De wereld kan opeens anders zijn, zo anders dat het lijkt dat woestijnen bloeien, dat blinden zien, lammen lopen en doven horen, dat wilde dieren, de verscheurende machten om ons heen vredesmachten zijn geworden.

Is dat een werkelijkheid die over ons heen zal vallen? Nee, het is een weg om te gaan. Geen makkelijke weg, maar een weg van vreugde en vrede. Geen weg van nu even, maar een duurzame weg, en een weg die duurzame verhoudingen tot stand brengt tussen mij en haar, tussen mij en God, tussen mij en de wereld.

In deze weken mogen we als het ware in een 4 weken durende afzondering gaan om ons zelf af te vragen of we die weg willen gaan. Zo ja, dan kunnen we voluit Kerst vieren, met alle toeters en bellen die daar aan vast zitten, Zo nee, dan zouden we Kerst maar eens een jaar moeten overslaan, want wat zouden we dan willen met Kerst. Natuurlijk een boom en wat lichtjes, maar daarvoor zijn we toch eigenlijk geen gemeente van Christus. Als we het feest vieren, dan ook voluit als een eerste stap op een nieuwe weg, dwars door woestijnen en andere schijnbaar onmogelijke situaties heen, zoals de weg waarop een kind de wereld vorm zal geven, tegen de macht van de keizers in.

Maar nu eerst die afzondering, eerst in onszelf te rade gaan: Wie zijn we, waar staan we, welke rol spelen we tegenover hem of haar, tegenover God, in de wereld.

Dat vraagt energie en concentratie, dat vraagt afzien en loslaten, maar ook daarin kunnen we elkaar misschien wel steunen en tot dienst zijn. Amen

 

Orgelspel

 

Open ruimte

 

Gebeden

 

Lied van de Gemeente: 'Heft op uw hoofden, poorten wijd’

 

Uitzending

 

Laten we straks weer gaan van hier naar ons huis

versterkt met de moed van Gods liefde

gevoed met de Geest van gemeenschap

om licht te zijn voor wie in duister leven

om verhaal te zijn voor wie aan het eind van hun verhaal zijn

om hoop te zijn voor wie geen hoop meer hebben

en om troost te zijn voor angstig zijn of verdrietig

Laten we gaan naar het leven van morgen

om mens te zijn voor God en voor elkaar.

 

Gezongen zegenbede: ‘De liefde gaat ons voor’

 

Orgelspel

 

 

Méér recente preken      (Sluit de pagina om terug te keren)