Doopsgezinde Gemeente Haren

Zondag 4 oktober 2009

Voorganger: ds. K. van der Werf

 

Lezingen:

Genesis 1: 24-28

Psalm 8

 

Dierendag en Franciscus van Assisi

 

Eigenlijk hadden we vandaag allemaal een dier moeten meenemen naar de kerk!

Want vandaag is het Dierendag. En Dierendag is in 1929 ingesteld als Werelddierendag en heeft voor het eerst bekendheid gekregen in Nederland in 1930. Dierendag werd meteen gekoppeld aan 4 oktober. De dag die op de Heiligenkalender van de Rooms Katholieke Kerk gewijd is aan Franciscus Bernardone, beter bekend als Franciscus uit het Italiaanse Assisi.

Want deze rijke koopmanszoon veranderde zijn leven door zijn bezit aan de armen weg te geven en bedelmonnik te worden om zo de ‘minste der minsten’ te zijn. Door een bijzondere gave kon hij zelfs met de dieren praten. Die gave had God hem gegeven volgens de legenden, omdat hij zo´n mooi zonnelied heeft geschreven over de schepping van God. Kort na zonsondergang op 3 oktober 1226 blies hij zijn laatste adem uit met de woorden: God kleed mij uit als schepper van het heelal en lastgever van vrouwe Armoede. Naakt zal ik uit de wereld gaan om de naakte zon der eeuwigheid te zien. Vandaar dus dat 4 oktober de heiligendag van Franciscus is geworden en gekoppeld is aan Dierendag.

 

Nu moet ik er eigenlijk niet aan denken dat iedereen vandaag zijn lievelingsdier zou meenemen naar de kerk. Dierendag is voor de juffen van de peuterspeelplaatsen en de leerkrachten op de basisscholen een regelrechte ramp. Je ziet het voor je! De een neemt zijn Vlaamse Reus mee, de ander zijn cavia en nog een ander zijn Barnevelder kippen en weer een ander zijn tamme witte ratjes. Om nog maar te zwijgen over de hond of de kat. En ondanks alle goede raadgevingen om je dier bij je te houden en goed vast te houden, gebeurt het stellig dat er een wit ratje ontsnapt waardoor de hele school in rep en roer is.

Daarom zijn ze heel erg slim op die basisscholen en zijn ze er toe overgegaan dat je niet meer een écht dier mag meenemen maar je lievelingsknuffeldier. Die kunnen niet ontsnappen en laten ook geen penetrante ammoniakgeuren achter.

 

Maar het is in zijn algemeenheid zeker niet verkeerd om één keer in het jaar stil te staan bij de dieren. En dan niet alleen die dieren die een hoog aaibaarheidsgehalte hebben en die worden gehouden op zorgboerderijen. Flappy het konijn, Caspar de Cavia, Manny het paard en Slappie het schaap. Die krijgen per dag zoveel aandacht en verzorging dat dat vaak ook weer teveel van het goede is.

Bovendien hebben op die zorgboerderijen de dieren een therapeutische functie: door om te gaan met dieren wordt je als mens socialer.

En dáár zit wat in! Door om te gaan met dieren komt automatisch wel het besef bij je naar boven dat je als mens niet alleen op deze wereld bent. In de tijd dat er nog geen tractoren bestonden die het agrarische werk deden, had iedere boerderij wel een aantal paarden. En die paarden die werden goed verzorgd. Want je was afhankelijk van die paarden. En er zijn in het verleden veel tranen gevloeid wanneer een paard door een ongeluk moest worden afgemaakt. De mensen hebben de dieren nodig en de dieren hebben de mensen nodig.

 

Eigenlijk zou je Dierendag ook wel de dag van de Schepping kunnen noemen. Want als je naar het beginverhaal van de bijbel kijkt dan zie je dat de dieren en de mensen bij elkaar horen. Kijk maar naar de kandelaar van Ruurd Bartlema.

Op de vijfde dag worden de vissen en de vogels geschapen en op de zesde dag de dieren en de mensen.

De (land)dieren zijn er dus vóór de mensen in dit verhaal. Van de vijfde dag zegt de bijbeltekst dat het goed was….van de zesde dag wordt gezegd dat het zéér goed was. Met andere woorden: alles is met elkaar in harmonie. Er wordt een wereldbeeld neergezet niet op grond van compromissen, wetboeken en regels….nee er wordt met het scheppingsverhaal een wereldbeeld neergezet waarbij alles in harmonie is.

 

Natuurlijk heeft geloven een kant in zich, dat er iets bestaat dat we God noemen, iets wat bovennatuurlijk is en ver weg is, maar het heeft als tweede kant ook iets in zich van een geloof, hoe je de wereld en de mens ziet. En dat geloof gaat van jezelf uit. Dát geloof bepaalt namelijk ook het handelen, wat je doet in bepaalde situaties. Dat geloof bepaalt namelijk ook waarom de één uitsluitend producten uit de wereldwinkel koopt, geen vlees eet en lid van de Partij van de Dieren is, terwijl een ander vanuit zijn geloof in God daar heel anders in staat.

En die verschillen zitten hem erin, dat het geloof een heel rekbaar begrip is. Het is natuurlijk heel gemakkelijk om te zeggen: vanaf nu gaat het roer helemaal om. We moeten maar net zo doen als Fransiscus in 1200 na Christus. We geven alles aan de armen weg, net zoals Christus, zorgen ook goed voor de dieren en als beloning krijgen we van God de gave dat we met de dieren kunnen praten. God beloont ons gedrag, als we zo zijn!

Wat de legendes over Franciscus NIET vertellen komt naar voren uit sociologisch onderzoek naar de structuur van de samenleving in die tijd. Het verhaal van Franciscus is het verhaal van een rijke koopmanszoon, die zijn bezit weggaf aan de armen en zelf als bedelmonnik ging leven en volgens dit patroon zelfs een eigen monnikenorde oprichtte; de orde van de Franciscanen.

Franciscus wordt in die verhalen eigenlijk geponeerd als een super gelovige.

Hij geeft alles weg; geeft niet om bezit; probeert Jezus te imiteren en zadelt de christenheid met een beeld op, waar ze moeilijk vanaf komt:

Christenen moeten Christus navolgen en zo handelen. Maar in de evangeliën staat nergens dat Jezus zijn hele hebben en houden weggaf. En er staat ook nergens dat het zijn van de ‘minste der broeders’ betekent dat je dan maar bedelmonnik moet zijn.

Want wat er in de legendes niet bij vermeld wordt, dat is dat de ordes en de kloosters die hij opricht, juist schatrijk worden. Persoonlijk mag je geen bezit hebben, maar dat moet toekomen aan het klooster of de kerk.

 

Het is eigenlijk ook niet bijbels. Bijbels zou zijn, dat je vanuit je eigen geloof de criteria bepaalt hoe je handelt.

Het gebod zegt niet voor niets. Heb je naaste lief. Er staat niet: heb je naaste meer lief of heb je naaste minder lief. Nee… er staat gewoon heb je naaste lief, zoals jezelf. Het gaat dus uit van jouw geloof en van jouw handelen.

Met als doel: hoe zie jij de wereld en hoe zie jij de mens!

 

Het mooie aan de legendes van Franciscus is dat ze een verbinding leggen met de dieren. Zeg maar met de schepping. Dat is namelijk ook waar de bijbel de nadruk op legt. Op de vijfde dag worden nog de vissen en de vogels gemaakt maar op de zesde dag, dezelfde dag dus als die van de mens, worden de (land)dieren gemaakt.

En dáár heeft de schrijver een heel bewuste bedoeling mee gehad, om dat op deze manier op één dag te beschrijven.

De schrijver wil aangeven dat mens en dier bij elkaar horen.

 

De dagen van het scheppingsverhaal spiegelen zich aan elkaar. Dag twee spiegelt zich met dag vijf. En dag drie spiegelt zich in dag zes. Op dag drie komt al het groen; mét de zaden. Het is het leven in zijn algemeenheid. Maar op dag zes wordt dat leven gepreciseerd: In mensen én dieren. Op dag drie is alles nog veel van hetzelfde. ‘Gewas’ wordt het genoemd. Maar het is allemaal nog heel algemeen.

Maar op dag zes komen de soorten. De mensen én de dieren. En nu staat er van die dieren iets héél bijzonders vermeld waar je in eerste instantie niet bij stilstaat. Er staat namelijk: En God maakte het wildgedierte der aarde naar zijn aard en het vee naar zijn aard en al het kruipend gedierte des aardbodems naar zijn aard; en God zag dat het goed was. En na dit zinnetje volgt dan de mens.

En God zag dat het goed was staat er dus. En dat betekent dat de dieren er volwaardig bij horen. Mens en dier horen dus bij elkaar. Komen van de laatste scheppingsdag; de zesde dag. En dat betekent ook dat de mens zorg heeft te dragen voor de dieren. Want zowel van de mens als van de dieren wordt gezegd dat ze een levende ziel zijn. Een levende ziel die volgens het verhaal dezelfde oorsprong heeft, namelijk God.

 

En dat is eigenlijk wat de schrijver ons wil vertellen. Wat vind jij belangrijk als uitgangspunt voor je leven? Voor de schrijver is het antwoord wel duidelijk: hij vindt natuurlijk het geloven in God belangrijk als het uitgangspunt, waarop de mens zijn of haar levensovertuiging baseert.

Maar het is wat te kort door de bocht om te zeggen: “Ik geloof wel dat er een God moet zijn en dat neem ik dan maar aan voor mijn leven dat die alles bestuurt en regelt”. Want dat is een verkeerde opvatting over het geloven.

God de grote schepper die alles regelt en als mens moet je er dan maar voor zorgen dat je die god te vriend houdt, want anders kan het wel eens slecht met je aflopen. Dus; flink bidden, iedere zondag naar de kerk, want God kijkt over een wolk naar wat jij allemaal uitspookt in het leven.

 

Kijk… daar gaat het niet om. En zeker niet in het scheppingsverhaal. Het verhaal wil niet een bewijs vormen dat God alles heeft gemaakt. Het verhaal wil juist een uitgangspunt vormen voor de mens, die zijn levensovertuiging wil laten bepalen door zijn geloof in dit verhaal. Vandaar ook die vage term van in den beginne. Je weet niet wat dat is geweest. Maar het scheppingsverhaal wil je als mens wél vertellen dat alles wat om je heen is, eenzelfde oorsprong heeft. En met elkaar in harmonie moet zijn. Het scheppingsverhaal wil je wijzen op een manier van geloven, dat het leven van de mens gericht moet zijn op het goede van de schepping. En je erop wil wijzen, dat je als mens niet moet vergeten dat mensen en dieren beide levende wezens van de zesde dag zijn. Opdat de dieren geen wegwerpartikel worden van de schepping.

 

 

Méér recente preken      (Sluit de pagina om terug te keren)