Doopsgezinde Gemeente Haren

Zondag 5 september 2010

Voorganger: zr. A.T. van Kempen-Tollenaar

 

Haat - Niet willen

 

Lezingen

Prediker 9: 3-6

Dit is het ergste, dat onder de zon geschiedt: dat allen eenzelfde lot treft; daarom is het hart der mensenkinderen vol boosheid en is er verdwaasdheid in hun hart hun leven lang; en daarna gaat het naar de doden. Want voor al wie tot de levenden behoort, is er hoop, immers een levende hond is beter dan een dode leeuw. De levenden weten tenminste, dat zij sterven moeten, maar de doden weten niets; zij hebben geen loon meer te wachten, zelfs hun nagedachtenis is vergeten. Zowel hun liefde als hun haat en hun na-ijver zijn reeds lang vergaan; en zij hebben nimmer deel aan iets, dat onder de zon geschiedt.

 

Lucas 14: 16-27

Hij zeide tot hem: Iemand richtte een grote maaltijd aan en nodigde velen. En hij zond zijn slaaf uit tegen het uur van de maaltijd om tot de genodigden te zeggen: Komt, want het is nu gereed. En zij begonnen zich allen opeens te verontschuldigen. De eerste zeide tot hem: Ik heb een akker gekocht en ik moet die noodzakelijk gaan bezien; ik verzoek u, houd mij voor verontschuldigd. En een ander zeide: Ik heb vijf span ossen gekocht en ik ga die keuren; ik verzoek u, houd mij voor verontschuldigd. Weer een ander zeide: Ik heb een vrouw getrouwd en daarom kan ik niet komen. En de slaaf kwam terug en berichtte zijn heer deze dingen. Toen werd de heer des huizes toornig en zeide tot zijn slaaf: Ga aanstonds de straten en stegen der stad in en breng de bedelaars en misvormden en blinden en lammen hier. En de slaaf zeide: Heer, wat gij hebt opgedragen, is geschied en nog is er plaats. En de heer zeide tot de slaaf: Ga de wegen en de paden op en dwing hen binnen te komen, want mijn huis moet vol worden. Want ik zeg u: Niemand van die mannen, welke genodigd waren, zal van mijn maaltijd proeven.

Vele scharen reisden met Hem mede, en Zich omkerende zeide Hij tot hen: Indien iemand tot Mij komt, en niet haat zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broeders en zusters, ja zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijn. Wie niet zijn kruis draagt en achter Mij komt, kan mijn discipel niet zijn.

 

 

Overdenking

Lucas vertelt dat Jezus mensen heeft uitgenodigd voor een feestmaal. Het is niet zomaar een feestmaal, want het Koninkrijk Gods wordt ermee bedoeld.

Niemand van de genodigden wil daar echter tijd voor vrij maken. Ze hebben andere, belangrijkere wereldse zaken aan hun hoofd.

Zaken die alles te maken hebben met hun materiële eigenbelang.

Dan laat Jezus door zijn dienaar mensen uitnodigen die weinig of geen bezittingen hebben. Juist deze mensen hebben wel tijd en zin om deel te nemen aan het Koninkrijk Gods.

Vandaag gaat het mij echter niet om de uitnodiging voor de maaltijd, maar om het woord haten.

Jezus zei: ”Indien iemand tot Mij komt, en niet haat zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broeders en zusters, ja zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijn”. Het woord haten verwachtte ik niet uit de mond van Jezus te horen. En daarom trof het me zo….

In de psychiatrie liggen liefde en haat in elkaars verlengde. Liefde kan zomaar ineens omslaan in haat. Oorlogen hebben haat voor de vijand meestal tot resultaat. Maar juist omdat die twee begrippen zo nauw aan elkaar verwant zijn, betekent dat, dat als je iemand haat, je niet onverschillig bent voor die persoon.

Als je iemand haat, is deze juist voortdurend in je gedachten. - Onverschilligheid is pas erg. Want als iemand je onverschillig laat, is hij lucht voor je. Je schenkt geen enkele aandacht meer aan deze persoon. Dàt is pas dodelijk!

Want mensen hebben zo’n behoefte aan aandacht….

 

Enige tijd geleden ben ik een paar dagen naar een bijeenkomst in Zwitserland geweest met een groep oudere Duitsers. We maakten verschillende excursies, onder andere naar een paar kerken en kloosters in Sankt Gallen en Appenzell.

De eerste kerk was puur Romaans. Deze was beschilderd met fresco’s waarop Bijbelverhalen stonden afgebeeld.

In de 8e eeuw, toen de kerk gebouwd werd, kon men nog niet lezen. Door middel van fresco’s werden de Bijbelverhalen dan kort en bondig verteld. Het leken net grote stripverhalen.

We werden rondgeleid door een gids die aan één stuk door praatte, en dan ook nog veel te snel, zodat niemand haar kon verstaan.

Ook de Duitsers niet. Tijd om rustig te kijken kregen we niet van haar. Dat was jammer, want ik stelde mij voor, dat als we in alle stilte hadden kunnen kijken, we Gods aanwezigheid hadden kunnen voelen.

Nu kregen we daar de kans niet toe….

De volgende kerk was een overdadig versierde Barokke kerk.

Waar ik ook keek, overal waren Mariabeelden, heiligenbeelden, en crusifixen te zien. Als er al een leeg plekje geweest zou zijn, was dat ingevuld met engeltjes, die al dan niet hun armen vol hadden met guirlandes vol rode rozen.

Alles was rijk beschilderd en van bladgoud voorzien. Het geheel gaf mij een mierzoet gevoel. Als doopsgezinde ben ik die overdaad niet gewend. Het enige voor mij bijzondere was de aanwezigheid van het beeld van een zwarte Madonna. Maar helaas was dit ver weg verstopt op het hoogaltaar. Door een prachtig gepoetste koperen koorhek werden we op een veilige afstand gehouden.

De preekstoel hing hoog boven de hoofden van de gelovigen. Ik bedacht, dat de preek niet tòt de aanwezigen gericht werd, maar over hun hoofden heen blies.

De laatste kerk die we bezochten was bij een nog in gebruik zijnd klooster. Het was een verademing om daar te zijn. Er waren enkele oude en nieuwe beelden. Maar ze waren heel sober. De sfeer in de kerk straalde rust en stilte uit.

De monniken in dat klooster nemen naast het dóen ook de tijd om stil te staan en te overdenken. Dat was duidelijk.

Ze nemen de tijd om te voelen wat er van ze verlangd wordt. Ze maken ruimte om bepaalde dingen te overdenken, te ordenen en te onderscheiden.

In die kloosterkerk kwam ik tot rust. Ik kon er de stilte in mij toelaten….

We bezochten ook een paar oude kloosters met bibliotheken.

Er lagen prachtige middeleeuwse boeken. Het oudste was een blokboekje uit het jaar 460. Daar in die oude bibliotheek lag met recht monniken werk. Alles was met de hand geschreven en gekopieerd van andere boeken….

Op de afscheidsavond van de bijeenkomst met het Duitse gezelschap kregen we door loting een eettafel toegewezen.

Mijn tafelheer vroeg me hoe ik de excursies gevonden had. Hij bleek protestant te zijn en had de spraakzame gids in de romaanse-, en de overdaad aan versieringen in de barokke kerk ook als storend ervaren.

Hoe we er op kwamen weet ik niet meer, maar het gesprek ontwikkelde zich opeens van geloven naar de tweede wereldoorlog.

‘Hoe heeft het zo ver kunnen komen?’ vroeg mijn tafelheer zich af, ‘dat iedereen klakkeloos achter Hitler aan is gelopen, en dat niemand heeft gezien wat de gevolgen zouden zijn?’

Ik bracht daar tegenin dat Dietrich Bonnhöffer als verzetsman, en mijn eigen vader, al aan het begin van de oorlog in een verzetsgroep zaten en later gevangen genomen werden. Beiden hadden de afschuwelijke gevolgen van de oorlog al voorzien.

Zij wisten dat krenking een voedingsbodem is voor haat en geweld.

Daarom hebben velen van ons zo’n weerstand tegen het taalgebruik van Geert Wilders.

We worden door zijn uitspraken geraakt, aangenaam of onaangenaam, pijnlijk of verrassend. Afhankelijk van hoe en waarin we geraakt worden, zullen we iets met die ervaringen doen. Zullen we tot handelen komen.

Eén van die handelingsmogelijkheden is volhouden en volharden. Ook in negatieven zin. En dat kan grote gevolgen hebben….

Massapsychologie en massahysterie zijn voor ons onbegrijpelijk. Maar soms gebeuren ze. Zoals in een oorlog.

De vraag werd me gesteld of ik de Duitsers niet haatte om wat ze gedaan hadden. “Nee”, zei ik, “Mijn vader heeft na de oorlog nog een paar jaar geleefd en hij heeft één keer zijn verhaal willen vertellen.

Hij eindigde met: “Denk er om, er waren ook goede Duitsers. Zij zaten ook gevangen vanwege hun verzetswerk”….

 

Er wordt wel eens gezegd: ‘toeval bestaat niet, het valt je toe’.

Dat was bij mij het geval.

Zoekend naar een onderwerp voor deze overdenking, las ik een artikel over het woord haat in de oude vertaling van Lucas 14: 25-27 (NBG 1951). Ik lees het u nogmaals voor:

Hij zei tot hen “Indien iemand tot mij komt, en niet haat zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broeders en zusters, ja zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijn”.

In de Willibrord vertaling staat niet het woord haten, maar verfoeien.

Dat klinkt heel anders.

En in de Nieuwe Vertaling uit 2004 staat: “Wie mij volgt, maar breekt met zijn vader en moeder, enz. Dat klinkt weer heel anders dan dat oude haten….

In de Naardense vertaling wordt ook het woord haten gebruikt.

Wonderlijk eigenlijk dat het woord haten op zo verschillende manieren vertaald wordt. Want als we kijken naar de Griekse oertekst, dan staat daar het woord miseo. Dat kan vertaald worden met haten, zoals gedaan is in de oudere vertalingen, maar het betekent ook: niet willen.

Dàt begrip maakt de vertalingen veel duidelijker. Want haten betekent dan, dat je geen toenadering wìlt zoeken naar de ander.

En dat is nu precies wat er gebeurd is tussen Israël en de Palestijnen, die op het ogenblik weer in het nieuws zijn in een verzoeningspoging om toenadering tot elkaar te zoeken.

 

Zoals ik al zei, liggen in de psychiatrie liefde en haat heel dicht naast elkaar. In beide gevallen laat de ander je niet onverschillig.

Want liefde kan zomaar omslaan in haat.

Er is geen werkelijke liefde zonder de ervaring van eenheid.

En er is geen werkelijk uitzicht zonder liefde.

Wanneer we ervaren wie en wat we werkelijk zijn, ervaren we eenheid. Ons gedrag heeft uitwerking op alles.

Dat hoort bij elkaar als de golven van de oceaan.

God is de zee en wij zijn de golven. Je kunt ze niet scheiden.

De ervaring van eenheid bepaalt de juiste houding tegenover alle wezens. Liefde maakt ons tot mensen. Wij zijn verantwoordelijk voor wat we uitstralen, en er gaat altijd iets van ons uit: welwillendheid, afkeer, haat, mededogen, liefde.

Liefde begint niet bij een woord of een omhelzing.

Liefde begint in onze gedachten en gevoelens.

De echte liefde ervaart het leven als een eenheid en zou zichzelf treffen als ze een ander iets aandeed. Deze liefde omarmt ook tegenstanders, ook hen die haten. Liefde is de voorwaarde voor alle groei en rijping. Wie geen liefde kan geven en ontvangen, kan niet groeien.

Wie liefde geeft, ontvangt ook liefde. Liefde is als de roep tegen een muur. De roep galmt terug….

 

De opgave in ons leven is de ervaring van het zijn, de ervaring van ons diepste wezen om mens te zijn.

Mens met al onze vermogens.

We kunnen op onze levensweg niets wòrden, we zijn al iets wanneer we op de wereld komen.

Ieder mens is uniek, want ieder mens staat voor de ontzettende moeilijke opdracht het eigen leven vorm en inhoud te geven. Daar spelen allemaal krachten en invloeden in mee die met ons persoonlijke verleden te maken hebben.

Toch moeten we als uniek mensenkind, ònze weg in dit leven zien te vinden. Jezus heeft ons in de bijbel een levenshouding voorgehouden.

Dat betekent in overdrachtelijke zin dat we in goddelijke zin moeten leven en moeten proberen de ‘minste’ te zijn.

Maar wanneer zijn wij de minste?

Dat is, als we ieder eigenbelang en egoïsme afwijzen, omdat het uiteindelijk niet tot wijsheid en innerlijke rust zal bijdragen.

Wij zijn zelf degenen die iets moeten doen aan verandering en wel door anders in het leven te gaan staan.

Belangrijk is ook welke betekenis we geven aan wat we willen bereiken.

In gesprekken kom ik wel tegen, dat mensen maar niet kunnen loslaten wat er gebeurd is. Steeds opnieuw herbeleven ze de pijn van vroeger of blijven hangen in vragen waar geen antwoord op komt.

Zolang er aandacht is voor hun verdriet, pijn of gemis, willen ze niet tot andersoortig handelen overgaan.

Het koesteren van verdriet geeft hun dan erkenning en houvast.

Als wij als mens zinvol gestalte willen geven aan ons persoonlijk leven, dan is het bittere noodzaak, de effecten, invloeden, en de ‘krachten van het verleden’ ernstig onder ogen te zien.

Maar misschien willen we dat wel niet (miseo).

De krachten uit het verleden zij er. Daar kunnen we niet omheen. Ieder mens draagt genetisch of opvoedkundig de sporen uit zijn verleden.

De kernvraag is en blijft: hoe gaan we er mee om?

Leven vanuit Gods werk impliceert misschien weinig anders dan durven en wìllen leven in overeenstemming met de ordening die in al het geschapene verborgen ligt en openbaar wil worden.

Amen.

 

We bidden vandaag niet het ‘Onze Vader’, zoals we gewend zijn, maar we bidden de woorden van Jezus, zoals ze in de Nag Hamadi geschriften staan (logion 116). Het doet sterk denken aan het ‘Onze Vader’, zoals we het gewend zijn.

Het gebed is vertaald uit het Aramees, de taal die Jezus gesproken heeft.

Voordat we dit gebed uitspreken, vraag ik u om in stilte te bidden voor dat wat ons bezighoudt.

Aramees gebed

Bron van zijn,

die ik ontmoet in mijn ontroering om wat is.

Ik geef u een naam

opdat ik u een plaats kan geven in mijn leven.

Bundel uw licht in mij – maak me nuttig.

Vestig uw rijk van eenheid nu.

Uw enig verlangen handelt dan samen met het onze.

Geef ons wat we elke dag nodig hebben

aan brood en aan inzicht.

Maak de koorden van fouten los

Die ons binden aan het verleden, zoals wij ook anderen

hun misstappen kunnen vergeven.

Laat oppervlakkige dingen ons niet misleiden.

Uit U wordt de werkzame wil geboren,

de levendige kracht om te handelen.

Het lied dat alles verfraait,

En dat zich van eeuw tot eeuw vernieuwt.

Amen.

 

 

Méér recente preken      (Sluit de pagina om terug te keren)