Doopsgezinde Gemeente Haren

Zondag 6 maart 2011

Voorganger: ds. K. van der Werf

 

Preek naar aanleiding van 200 jaar Algemene Doopsgezinde Sociëteit

 

Dit jaar is het 200 jaar geleden dat de Algemene Doopsgezinde Sociëteit werd opgericht. In 1811 dus, in de Napoleontische tijd. Napoleon was niet alleen een driftig baasje, dol op oorlogvoeren om zo te heersen over een Europa van Parijs tot Moskou. Hij heeft er in Nederland ook voor gezorgd dat we allemaal een naam moesten krijgen, dat we de meter en de centimeter moesten gebruiken, dat Nederland een koninkrijk werd, met zijn eigen broer als eerste koning čn dat met de komst van de burgerlijke stand ook de kerkgenootschappen geregistreerd moesten zijn. En dat zorgde voor de nodige hoofdbrekens bij de doopsgezinden van toen. Want wanneer was je nu doopsgezind? Heel simpel zou je zeggen: door de doop op je geloof, in een doopsgezinde gemeente! Maar de vraag was toen: Wat is een doopsgezinde gemeente?. Want er waren nogal wat gemeenten in Nederland die zich doopsgezind noemden, maar het toch hartgrondig met elkaar óneens waren. Van 1612 tot 1795 bestond het tijdverdrijf van doopsgezinden hierin, dat men graag ruzie met elkaar maakte.

En die ruzies konden gaan om heel kleine dingen: Moest er wel of niet voetwassing in de gemeente plaatsvinden? Hoe moet de doop plaatsvinden? Een beetje water over het hoofd of juist veel? En hoe vier je avondmaal?

Hoe ga je om met weduwen en wezen in een tijd dat er geen WMO-loket en geen Gemeentelijke Sociale Dienst is? Want als je zegt dat kinderen niet gedoopt kunnen worden dan zijn ze officieel ook geen lid van de gemeente. Hoe moet het dan wanneer de beide ouders overlijden? Heel simpel opgelost dachten ze toen: we voeren de geboortedankzegging of de kinderopdracht in. Dit gaf de ouders de zekerheid dat er naar hun kinderen zou worden omgekeken wanneer ze mochten overlijden. Grote doopgezinde gemeenten als Haarlem, Amsterdam, Harlingen en Dordrecht kregen juist veel leden in die tijd, omdat de gemeente ook zorgde voor geld bij overlijden. Dat is ook de reden dat op de eilanden de doopsgezinden zo talrijk waren. Mocht een man op zee blijven, dan had de gemeente de plicht om voor de nabestaanden te zorgen. Geen wonder dat je daar wel bij wilde horen in plaats van bij de Hervormde Kerk, want daar was het veel onzekerder dan de bij doopsgezinden.

 

Maar, zoals gezegd, de variatie was groot onder doopsgezinden, met als gevolg dat er rond 1795 doperse gemeenten waren die zich Waterlanders noemden, anderen die zich Vlamingen noemden, weer anderen die zich Friezen noemden en wie uit de streek van Danzig kwamen, noemden zich de Danzigers. En of het nog niet genoeg was: er waren ook gemeenten die zich gewoon noemden naar hun voor­ganger: de Jan Jacobsgezinden in Friesland, de Uko Wallisten in de streek van Noordbroek en het Tiete Popkes volk in de buurt van ’t Zandt.

Maar wie het niet eens was met het beleid in de gemeente, stapte er zelf uit of werd onder ‘ban en mijding’ geplaatst en mocht niet meer in de gemeente komen. Met als gevolg dat er ook gemeenten kwamen die zich Jonge Friezen en Jonge Vlamingen en Jonge Danzigers noemden. Kortom, door de bomen zag je het bos niet meer. En toen daar tussen 1711 en 1735 ook nog doopsgezinden bijkwamen uit Zwitserland, van wie wij de nazaten nu kennen als de Meihuizens, de Lötschers, de Krasters en onder de familienaam Boer.

Toch moesten deze gemeenten wel wat onder elkaar regelen. En dat ging vooral, en daar heb je het alweer, over het geld. Er moest toch wat geregeld worden als predikanten ziek waren en er moest worden geruild.

Er kwamen ringen van gemeenten en in Friesland werd in 1795 de Friese Doopsgezinde Sociëteit opgericht. En welke gemeenten sloten zich daarbij aan? Jawel, de Ommelandse gemeenten die niks met de stad te maken wilden hebben. De grens lag toen waar nu de ringweg ligt zo langs de oude suikerfabriek naar de oude melkfabriek van de Ommelanden. Ondanks dat er een bloeiende doopsgezinde gemeente in het Vinkhuis kerkte op de boerderij van de familie Lötscher, vertikten de Ommelanders het om bij Groningen te horen in de Boteringestraat. Dan toch liever maar aansluiting bij de Friezen.

 

En ook in Amsterdam was er een gemeente die kerkte in een gebouw met op de gevelsteen ‘De Zon’ en een andere kerkte ‘Bij het Lam’ (een gebouw nabij de brouwerij ‘Het Lam’). Een zon en een lam vormden jarenlang, vanaf 1811 het logo van de doopsgezinden. Want toen deze twee Amsterdamse Gemeenten besloten samen te werken in navolging van Friesland en Noord-Holland, werd de Algemene Doopsgezinde Sociëteit opgericht.

Dit jaar dus tweehonderd jaar geleden. En daarom zijn er dit jaar allerlei activiteiten georganiseerd. Dat begint al in maart en moet zijn hoogtepunt krijgen in het weekend van 17 en 18 september op Mennorode in Elspeet.

Op de tweede paasdag wordt er in Amsterdam een speciaal Vermaningspad georganiseerd rondom de tentoonstelling ‘Vijf eeuwen doopsgezinden in Nederland’. De bedoeling van dit Vermaningspad is om die oude plekken waar belangrijke gebeurtenissen zich hebben afgespeeld te gaan bezoeken.

Want 500 jaar zijn er al doopsgezinden in Europa. En met name in Nederland vormden ze zo rond 1600 een kwart van de bevolking waar ze gevestigd waren. Je kunt hun verspreidingsgebied heel gemakkelijk nagaan, want je hoeft alleen maar de grote waterwegen van toen te volgen. Op de zandgronden van Drenthe en Brabant vind je uit die tijd dan ook geen doopsgezinden.

 

Nu is de verleiding groot om verheerlijkend achterom te kijken naar zo’n bijzondere, interessante geschiedenis. En we zijn ook geneigd om die geschiedenis wat in te kleuren: die doopsgezinden vroeger, dat waren nog eens échte gelovigen. Die gingen ervoor! En nog altijd spreekt dat aan. Zie wat voor een belangstelling er is voor de Siberische doopsgezinden. Voor de doopsgezinden die tot 1945 leefden in Oost-Pruisen. En niet te vergeten: de Amishen. Zij leven er echt naar! En als je dan vraagt naar wat: dan is het antwoord: de bijbel. En wij denken dan ook dat in de 16e eeuw de doopsgezinden de enige ware gelovigen waren, waar de bijbel altijd openlag en waar de gemeente al de voorpoort van de hemel was. Mensen die nooit onenigheid hadden en waar het geloof alleen maar centraal stond. Leve de doopsgezinden van de 16e eeuw.

 

Maar toch moeten we niet terug willen naar de 16e eeuw. We brengen het vaak zo dat de mensen van toen, zo'n sterk geloof hadden dat ze het aandurfden om een nieuwe kerk te stichten. Maar een belangrijke reden was weer het geld. De onvrede dat de Rooms Katholieke Kerk, met in het verlengstuk de vorsten, de mensen niet meer op te brengen lasten oplegde, was de eigenlijke oorzaak van deze godsdienst-revolutie.

En dat er zich daarbij groepen afscheidden die zich dopers noemden, omdat ze geen kinderdoop meer wilden, dat kwam velen heel goed uit, omdat deze groepen zelfstandig waren en er geen overheidsbemoeienis was, zoals die er wel was in de net opgerichte Hervormde Kerk.

Daarom hebben de doopsgezinden ook zo'n flitsende start gehad. Ze sprongen in op de onvrede die er in die tijd bestond, tegen de machthebbers. En ze gebruikten de bijbel daarbij voor de rechtvaardiging van hun opstelling.

 

Onze vaderlandse geschiedenisboekjes hebben er altijd een handje van gehad om de 16e eeuw heel eenzijdig te benaderen. Willem van Oranje werd de Vader des Vaderlands genoemd. De rooms-katholieken waren de slechteriken, waarbij de koning van Hispanje die je altijd hebt geëerd, wel de allerergste van allen was. En wat het geloof betreft, waren de protestanten alleen rechtvaardig en hadden die het bij het juiste eind. Maar wat wil je ook, als de geschiedenisboekjes worden geschreven in opdracht van een overheid, die zeer dichtbij het protestantse erfgoed staat.

Want de zaak ligt toch even anders. En als vuistregel moet je bijna altijd kijken naar: 'wat voor impact heeft alles gehad voor de gewone man in de straat'. En die ligt echt niet wakker van allerlei theologische haarkloverijen. Die kijkt vooral naar de portemonnaie en wat hem het beste toe lijkt om ergens bij te horen. De drijfveer van de Reformatie was niet alleen het geloof, maar het was ook een unieke kans om onder de knoet van de koning van Hispanje uit te komen.

 

In 500 jaar is er veel veranderd. Ook bij de doopsgezinden. Gelukkig maar. En het is natuurlijk heel mooi dat je zo'n unieke geschiedenis hebt, maar je moet er wel voor waken, daarin te blijven hangen.

Wat in alle eeuwen waardevol is gebleven, is dat de mens voor zichzelf uitmaakt, dat hij God belangrijk vindt voor zijn levensovertuiging. En dat daarbij één boek een leidraad vormt voor dat geloof, en dat is de Schrift. Geen Martelaarsspiegel, geen doopsgezinde belijdenissen uit vorige eeuwen. Nee… dat je steeds de bijbel als inspiratie gebruikt voor het leven en iedere keer weer, de tekst opnieuw interpreteert voor de situatie waarin je leeft.

Want het geloven in God, is niet alleen maar dat je God aanneemt als een hoger wezen om dingen te verklaren, waar je geen antwoord op hebt; geloven in God is ook, dat je er iets mee doet. Dat je er iets aan hebt. Vooral als het tegenzit in het leven.

En juist dan, kan het geloof ook weer een opening voor je zijn, als je gegrepen wordt door een tekst, die je pakt.

 

En daarom: Een doopsgezinde gemeente moet niet een ‘geschiedenis’-gemeente zijn, die achterom kijkt. Want geloven is altijd vooruit kijken.

Geloven is altijd wegen zoeken, voor een houvast voor jezelf.

 

 

Méér preken      (Sluit de pagina om terug te keren)