Doopsgezinde Gemeente Haren

Dienst 7 december 2008 (Tweede Advent)

Voorganger: ds. Gabe Hoekema

 

Orgelspel

Woord van welkom

Aansteken van de kaars

 

Lied van de Gemeente: Om licht te zijn: 1 en 2

Om licht te zien zijn wij gekomen,

een krans van mensen wereldwijd

die waakzaam van de vrede dromen

en werken aan gerechtigheid.

Ontsteek het vuur opdat wij wij horen

het lied dat zingt in alleman

tot nieuwe mensen zijn geboren:

vrienden met vrede hand in hand.

 

Om licht te zijn voor alle landen,

een gloed die warmte geeft en hoop,

een bron van brood in alle handen:

de hemel houden wij ten doop.

Kom aan het licht, kom weer tot wereld,

neem wanhoop weg en duisternis,

laat zonder last van leugens leven

het mensenkind dat toekomst is.

 

Onze hulp is in de naam van de Eeuwige, God, onze Vader, schepper van hemel en aarde, die de aarde, de wereld voor mensen niet als een chaos bedoelde, maar als een tuin, die ons mensen niet bedoelde als rechtelozen, maar als mensen die recht gedaan wordt, man en vrouw, zwart en blank, oud en jong, die zich liet kennen in een kwetsbaar mens, Jezus, daarom onze heer.

Genade zij ons en vrede van deze God in de naam van deze Jezus. Amen

 

Lied van de Gemeente: Om licht te zijn: 3

Om licht van licht te zijn op aarde,

aanhoudend licht van het begin,

opdat geen mens meer zou verdwalen,

zet God zijn eigen bloed nu in.

Opent uw hart, groen licht voor ogen,

de hoop groeit waar geen wegen gaan

en wie op pad gaat, ongelogen,

vindt ooit de hemel open staan.

 

God die met ons is

Wij komen vandaag samen als mensen op deze aarde, die leven, soms intens, soms wat onverschillig, gewoon zoals het gaat. We komen ook samen als mensen die ooit ons geloof beleden hebben en nog belijden, ons geloof in u, God, ons geloof in gerechtigheid en vrede, ons geloof in een wereld die eruit ziet als een tuin, ons geloof in het leven, ondanks pijn en dood, ons geloof in genade en vergeving. We komen samen tot U, God die met ons is, omdat uw naam ons het beeld geeft van het leven. En we bidden u dat we die onverschilligheid opzij zetten en binnen onze mogelijkheden zoeken naar dat leven in uw naam. Wees ons nabij met uw geest, terechtgekomen, ook, in de woorden van de bijbel, terechtgekomen, ook, in de wijze waarop wij gemeenschap zijn, kunnen zijn, en soms inderdaad ook zijn.

Wees ons nabij met uw belofte van heil en zegen, waarnaar wij snakken, elke dag, maar zeker ook weer in deze adventstijd.

Zo bidden wij u in alle oprechtheid. Amen

 

Lied van de Gemeente: Wij zoeken hier uw aangezicht

Wij zoeken hier uw aangezicht.

God, houd uw oog op ons gericht:

Kyrie eleison

 

Gij roept ons met een nieuwe naam

uit dit genadeloos bestaan:

Kyrië eleison!

 

De vragen huizen in ons hart.

Gij, die de duisternis ontwart:

Kyrië eleison!

 

Verschijn ons als de dageraad,

Gij, Zon die ons te wachten staat:

Kyrië eleison!

      

Ontvlam in ons en vuur ons aan!

Getroost zullen wij verder gaan:

Kyrië eleison!

 

Kleur met uw vrede onze tijd.

Houd vast aan uw gerechtigheid:

Kyrië eleison!

        

Gij zult ons als een herder zijn,

nu uw genade ons verschijnt.

Amen. Halleluja!       

 

Schriftlezing:  Jesaja 40: 1 - 11

Jesaja 40, een bijna klassieke lezing voor de advent, en met name de tweede adventszondag. En die begint met die bijzondere woorden: troost,  troost de inwoners van Jeruzalem. Troost, inwoners van Haren en Zuidlaren of Eelde. Troost, want de diensttijd is voorbij, de schuld betaald en dubbel ontvang je terug.

We moeten straks maar eens bedenken wat dat voor ons betekent. Maar de schrijver van deze woorden, waarschijnlijk levend tijdens de ballingschap, ziet hoop en spreekt in woorden die de vergelijking maken met een nieuwe uittocht uit Egypte. Misschien moeten we in het bijbelse denken de zaak wel omdraaien: de ballingschap en de bevrijding uit de ballingschap heeft model gestaan voor het verhaal van de uittocht uit Egypte. Het min of meer historische verhaal van de ballingschap staat model, heeft vorm gegeven aan het niet historische verhaal van de uittocht uit Egypte. Maar uittocht, uittocht uit ballingschap, zegt ons dat eigenlijk  nog iets. Wat is onze ballingschap?

 

Troost, troost mijn volk, zegt jullie God.

Spreek Jeruzalem moed in, maak haar bekend

dat haar slavendienst voorbij is, dat haar schuld is voldaan,

omdat zij een dubbele straf voor haar zonden

uit de hand van de HEER heeft ontvangen.

Hoor, een stem roept:

‘Baan voor de HEER een weg door de woestijn,

effen in de wildernis een pad voor onze God.

Laat elke vallei verhoogd worden

en elke berg en heuvel verlaagd,

laat ruig land vlak worden

en rotsige hellingen rustige dalen.

De luister van de HEER zal zich openbaren

voor het oog van al wat leeft.

De HEER heeft gesproken!'

Hoor, een stem zegt: ‘Roep!'

En een stem antwoordt: ‘Wat zou ik roepen?

De mens is als gras, hij bloeit als een veldbloem.

Het gras verdort en de bloem verwelkt

wanneer de adem van de HEER erover blaast.

Ja, als gras is dit volk.'

Het gras verdort en de bloem verwelkt,

maar het woord van onze God houdt altijd stand.

Beklim een hoge berg, vreugdebode Sion,

verhef je stem met kracht, vreugdebode Jeruzalem,

verhef je stem, vrees niet.

Zeg tegen de steden van Juda: ‘Ziehier jullie God!'

Ziehier God, de HEER !

Hij komt met kracht, zijn arm zal heersen.

Zijn loon heeft hij bij zich, zijn beloning gaat voor hem uit.

Als een herder weidt hij zijn kudde:

zijn arm brengt de lammeren bijeen,

hij koestert ze, en zorgzaam leidt hij de ooien.

 

Lied van de Gemeente: Zingt een nieuw lied, alle landen (Tussentijds 37, naar Psalm 96)

Zingt een nieuw lied voor de Heer, alle landen.

Zingt voor de Heer en verheerlijkt zijn Naam.

Treedt in zijn tempel met uw offeranden,

kondigt zijn roem bij de heidenen aan.

Refrein:   Zingt een nieuw lied, alle landen.

                Zingt voor de Heer en verheerlijkt zijn Naam.

 

Groot is de Heer, die wij vrezen en prijzen.

Aarde en lucht komen vers uit zijn hand,

schoonheid en kracht vergezellen Hem beide:

wild is de zee en tevreden het land.

Refrein

 

Roept tot de volkeren: God is de Koning,

Hij houdt de weegschaal der wereld loodrecht,

Hij is rechtvaardig, bij Hem is het oordeel,

alles wordt Hem aan zijn voeten gelegd.

Refrein

 

Juicht wat in zee leeft, of leeft op de velden:

ziet, uw Verlosser gaat komen, weest blij!

Wuift, alle bomen der wouden, verwelkomt

juichend uw Koning, want Hij is nabij!

Refrein

 

Schriftlezing: 2 Petrus 3: 8 - 18

We denken vaak dat de droom, het visioen van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde in Openbaringen te vinden is, het laatste en ook één van de laatstgeschreven bijbelboeken. Maar we zullen die droom in de Petrusbrief horen, ook al een geschriftje uit het eind van de eerste eeuw en zeker niet geschreven door Petrus. Maar veel eerder zijn die woorden te horen in het één na laatste hoofdstuk van - jawel - Jesaja, waar te lezen valt: Zie ik schep een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. en even verder: Ik herschep Jeruzalem in een jubelende stad…

Wat een optimisme, je zou ook kunnen zeggen, wat een drive.

 

Eén ding mag u niet over het hoofd zien, geliefde broeders en zusters: voor de Heer is één dag als duizend jaar en duizend jaar als één dag.

De Heer is niet traag met het nakomen van zijn belofte, zoals sommigen menen; hij heeft alleen maar geduld met u, omdat hij wil dat iedereen tot inkeer komt en niemand verloren gaat.

De dag van de Heer zal komen als een dief. De hemelsferen zullen die dag met luid gedreun vergaan, de elementen gaan in vlammen op, de aarde wordt blootgelegd en alles wat daarop gedaan is komt aan het licht.

Als dit allemaal op die manier te gronde gaat, hoe heilig en vroom moet u dan niet leven,

u die uitziet naar de dag van God en het aanbreken daarvan bespoedigt! Die dag gaan de hemelsferen in vlammen op, en de elementen vatten vlam en smelten weg.

Maar wij vertrouwen op Gods belofte en zien uit naar een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont.

Omdat u hiernaar uitziet, geliefde broeders en zusters, moet u zich inspannen om smetteloos, onberispelijk en in vrede door hem te worden aangetroffen.

Bedenk dat het geduld van onze Heer uw redding is. Dat heeft ook onze geliefde broeder Paulus u geschreven met de wijsheid die hem is geschonken.

Hij schrijft dit overigens in alle brieven waarin hij dit onderwerp ter sprake brengt. Daarin staat een en ander dat moeilijk te begrijpen is en dat door onwetende en onstandvastige mensen, tot hun eigen ondergang, wordt verdraaid; dat doen ze trouwens ook met de overige geschriften.

Geliefde broeders en zusters, u weet van tevoren wat er gaat komen. Wees daarom op uw hoede en laat u niet meeslepen op de dwaalwegen van wettelozen. Laat uw standvastigheid niet varen,

maar groei in de genade en in de kennis van onze Heer en redder Jezus Christus. Hem komt de eer toe, nu en in eeuwigheid. Amen.

 

Johannes 1: 19 - 36

Ook Johannes behoort tot het vaste arsenaal van schriftlezingen in de Adventstijd. En net als vorige week, toen het over Johannes de Doper en over Elia ging, gaat het weer over Johannes de doper, maar op een andere manier. Maar ook hier wordt hij vergeleken met Elia, al horen we niet over een kameelharen mantel en over sprinkhanen en honing. Hier wordt verwenen naar Jesaja 40: de stem van een die roept maakt recht de weg in de woestijn, of de stem van een die in de woestijn roept: maakt recht, de weg des Heren.

 

Dit is het getuigenis van Johannes. De Joden hadden vanuit Jeruzalem priesters en Levieten naar hem toe gestuurd om hem te vragen: ‘Wie bent u?'

Hij gaf zonder aarzelen antwoord en verklaarde ronduit: ‘Ik ben niet de messias.'

Toen vroegen ze hem: ‘Wie dan? Bent u Elia?' Hij zei: ‘Die ben ik ook niet.' ‘Bent u de profeet?' ‘Nee, 'antwoordde hij.

‘Maar wie bent u dan?' vroegen ze hem. ‘Wij moeten antwoord kunnen geven aan degenen die ons gestuurd hebben–wie zegt u zelf dat u bent?'

Hij zei: ‘Ik ben de stem die roept in de woestijn: “Maak recht de weg van de Heer, ”zoals de profeet Jesaja gezegd heeft.'

De afgevaardigden die uit de kring van de Farizeeën kwamen,

vroegen verder: ‘Waarom doopt u dan, als u niet de messias bent, en ook niet Elia of de profeet?'

‘Ik doop met water, 'antwoordde Johannes. ‘Maar in uw midden staat hij die u niet kent,

hij die na mij komt–ik ben het niet eens waard om de riemen van zijn sandalen los te maken.'

Dit gebeurde in Betanië, aan de overkant van de Jordaan, waar Johannes doopte.

De volgende dag zag hij Jezus naar zich toe komen, en hij zei: ‘Daar is het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt.

Hij is het over wie ik zei: “Na mij komt iemand die meer is dan ik, want hij was er vóór mij.”

Ook ik wist niet wie hij was, maar ik kwam met water dopen opdat hij aan Israël geopenbaard zou worden.’

En Johannes getuigde: ‘Ik heb de Geest als een duif uit de hemel zien neerdalen, en hij bleef op hem rusten.

Nog wist ik niet wie hij was, maar hij die mij gezonden heeft om met water te dopen, zei tegen mij: “Wanneer je ziet dat de Geest op iemand neerdaalt en blijft rusten, dan is dat degene die doopt met de heilige Geest.”

En dat heb ik gezien, en ik getuig dat hij de Zoon van God is.’

De volgende dag stond Johannes er weer met twee van zijn leerlingen.

Toen hij Jezus voorbij zag komen, zei hij: ‘Daar is het lam van God.’

 

Lied van de Gemeente: Omdat Hij niet ver wou zijn is de Heer gekomen

Omdat Hij niet ver wou zijn is de Heer gekomen.

Midden in wat mensen zijn heeft Hij willen wonen.

Midden onder u staat Hij die gij niet kent.

Midden onder u staat Hij die gij niet kent.

 

Overal nabij is Hij, menslijk allerwegen.

Maar geen mens herkent Hem, Hij wordt gewoon verzwegen.

Midden onder u staat Hij die gij niet kent.

Midden onder u staat Hij die gij niet kent.

 

God van God en licht van licht, aller dingen hoeder

heeft een menselijk gezicht, aller mensen broeder.

Midden onder u staat Hij die gij niet kent.

Midden onder u staat Hij die gij niet kent.

 

Wilt daarom elkander doen alle goeds geduldig.

Weest elkaar om zijnentwil niets dan liefde schuldig.

Midden onder u staat Hij die gij niet kent.

Midden onder u staat Hij die gij niet kent.

 

Weest verheugd, van zorgen vrij: God die wij aanbidden

is ons rakelings nabij, wonend in ons midden.

Midden onder u staat Hij die gij niet kent.

Midden onder u staat Hij die gij niet kent.

 

Preek

Zusters en broeders,

Advent, we vieren het ieder jaar. Wees nu eens eerlijk, beleeft u dat nu als iets heel wezenlijks voor uw bestaan? Of ben ik de enige die zo’n vraagt stelt, die zo’n vraag überhaupt durft te stellen.

Als je Advent viert, dan moet er wat zijn dat er aan komt. Dan moeten we toch het besef hebben, of het verlangen, of de angst dat er wat zit aan te komen, dat ons leven beïnvloedt, om nog maar niet te zeggen verandert? Zo is het toch?

Nou, hebben we dat besef, dat verlangen, die angst? Leven we in een tijd dat dat besef, dat verlangen, of die angst op ons afkomt. Want dat kan natuurlijk dat we zo onzeker zijn, dat we in ieder geval hopen op iets nieuws, op een verandering, een verbetering van de wereld, van Nederland, van de politiek, de financiële wereld, of gewoon een verbetering van ons eigen leven, vanwege ziekte, of vanwege relaties die op de tocht zijn komen te staan.

 

Of is het zo dat we Advent vieren, omdat het er nu eenmaal bij hoort, met die kaarsen en die vaak bekende lezingen? Het hoort bij ons leven, zoals een verjaardag dat hoort en Nieuwjaar en Kerst en zoals we nu net Sinterklaas hebben gevierd. Het hoort erbij en we laten het gewoon gebeuren. Niemand heeft op de laatste ledenvergadering het voorstel gedaan om Advent af te schaffen, omdat we niets te verwachten hebben.

Als het dan maar gewoon gebeurt dan moeten we er ook iets van maken. Laten we dan die gebruikelijke schriftlezingen maar weer tot ons doordringen en deze gemeente heeft van haar predikant Klaas van der Werf wel geleerd dat er bijna nooit staat wat er staat, of wat wij denken dat er staat, of dat de vertaling juist iets anders weergeeft dan er zou moeten staan. Kortom, aan de slag.

Als er geen besef, of verlangen is, dan moeten we zorgen dat het er komt. Anders leven we gewoon door, genoegzaam en tevreden met ons bestaan. Maar of daar die gemeente van Christus ooit voor is opgericht, dat vraag ik me af. Die gemeente van Christus is ooit ontstaan, niet uit onvrede, dat is een negatief gevoel, niet als rebellie, dat is veel te kwaadaardig, zoals we vandaag de dag maar al te goed weten, maar om een boodschap van gerechtigheid en vrede uit te dragen in een wereld waar onrecht en haat maar al te gewoon was. De gemeente van Christus is ooit opgericht, als je dat zo kunt zeggen, omdat mensen zoveel vertrouwen hadden in die boodschap van Israël, zoals die in de persoon van Jezus woord en vlees was geworden en handen en voeten had gekregen, dat zij daar behoorlijk wat voor over hadden: onderdrukking, vervolging, dood. Want ze geloofden erin, in, zoals Jesaja het zei: het woord van God zal stand houden. Het gras verdort en de bloem verwelkt, maar het woord van God zal stand houden. En, zegt Jesaja daar dan bij: Dat gras dat is het volk, dat zijn we zelf, zoals we leven, zoals wij vlees en bloed van dat woord zijn, zoals wij handen en voeten zijn van Gods belofte.

Maar die belofte staat. Dat woord van gerechtigheid en vrede staat. En daarom durft Jesaja het volk ook toe te roepen: Troost, troost, bemoedig de mensen, bemoedig het volk, vreugdebode van Sion. En wie is dat? Wie is het tot wie gezegd wordt: Bemoedig Jeruzalem? Wie is het? Het is degene die de stem is van een die roept: Baant een weg voor de Heer in de woestijn. Misschien de profeet die aan het woord is: Jesaja, misschien een profeet, een prediker, die nog aan het woord moet komen, misschien is het een soort van wanhoopskreet: Alsjeblieft, laat iemand ons bemoedigen, want het gras verdort en de bloem verwelkt, we gaan er aan. Maar God, mijn God, uw woord zal stand houden.

 

En dan opeens net als vorige week in de preek van Klaas van der Werf wordt de afstand van Jesaja naar het Nieuwe Testament overbrugd, want die evangelisten, en zeker ook Johannes, die het niet heeft over kamelenhaar en sprinkhanen en honing, zoals in Mattheüs , zeker ook Johannes laat ons horen: Die vreugdebode is hier Johannes de doper, die doopt in water. Het wordt driemaal gezegd in Johannes 1: Hij doopt in water. De vreugdebode, de stem van die roept, dat heeft de evangelist Johannes herkend in Johannes de Doper. Want wat zei hij: Hij zei niet: het gras is verdord, de bloem verwelkt. Hij zei: ik ben de stem. En je denkt er dan bij: want niemand anders is het die stem: jullie niet: schriftgeleerde Farizeeën, jullie niet, priesters en levieten, jullie maken je druk om de cultus.  Daar zijn jullie ook voor. Maar die stem, die stem van hoop, die stem van de belofte, die stem van die roept: Maakt recht de weg van de Heer, die hoor ik van jullie niet. Dus ben ik het, die stem. Die stem die volhoudt te spreken, ook al wordt de spreker vermoord. Dat ben ik.

Zo heeft Johannes het uitgebeeld, heel die boodschap van Jesaja in een tijd, dat de gemeente van Christus vervolgd werd.

Maar Johannes de doper was maar de stem, niet de boodschap. Midden onder u staat hij, die u niet kent. Dat is de boodschap, dat is het woord, het woord dat vlees en bloed werd in Jezus, het woord dat handen en voeten kreeg in Jezus, het woord dat allang vergeten was in Israël, in de wereld.

Dat zegt Johannes in dit evangelie tegen de priesters en de levieten en tegen de schriftgeleerde farizeeërs. Nota bene. Je moet het lef maar hebben.

Jullie, kenners van het woord van God, kennen het niet.

En wie het wel kent, die zien jullie niet, die is als het lam, die voeren jullie als een lam ter slachtbank.

Dat zijn de beelden van Johannes, de evangelist, ten tonele gebracht door Johannes de Doper.

 

Hoe interessant ook, hoe bijzonder ook, de manier waarop dit geschreven is, de verbanden met Jesaja, anders dan bij Mattheüs, de vraag was; kennen wij het besef, het verlangen, of de angst naar wat komen zal. Zeggen wij de Petrusbrief na:  Maar wij vertrouwen op Gods belofte en zien uit naar een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont. Want daar ging het nog steeds om. Maar dat is inmiddels ingevuld met: Kennen we het besef, het verlangen, of de angst om het woord van God, dat handen en voeten heeft gekregen in Jezus, dat vlees en bloed geworden is in Jezus, om dat ten volle te laten gelden in ons leven? Willen we dat dat midden onder ons staat, als een huis, als iets waar we niet omheen kunnen, als een soort van Ka’ba in Mekka, waar miljoenen pelgrims omheen lopen.

Kortom verlangen we naar een gemeente van Christus, die is wat hij/zij zou moeten zijn. Op de laatste ledenvergadering, waar ik helaas niet kon zijn is er over dat gemeentezijn gesproken. Ik weet niet of over onze identiteit meer gezegd is dan ik in het verslag gelezen heb. Daar lijkt het alsof die identiteit vanzelfsprekend is. Zo vanzelfsprekend dat we het daar niet over hoeven te hebben. Daar kun je natuurlijk vraagtekens bij zetten. Ook de priesters en levieten en de schriftgeleerde farizeeërs gingen uit van een vanzelfsprekende identiteit. Maar je zou kunnen zeggen, hun identiteit was dichtgetimmerd, gesloten. Zo en niet anders. De grenzen waren zo duidelijk dat het bijna een nieuw slavenbestaan leek te zijn. Ik denk dat wij in onze gemeente een identiteit zoeken die open is, die ruimte biedt, waar mensen zich welkom voelen en niet zich bij aansluiten omdat Doopsgezinden nu precies zeggen wat zij denken. Nee, omdat doopsgezinden willen luisteren naar wat jij te zeggen hebt, ook al zeggen sommigen van hen het anders. Een identiteit die recht doet aan mensen en het recht niet heeft beperkt tot eigen volk eerst, of eigen groep alleen, of eigen gelijk alleen. Een identiteit die oog heeft voor wie zomaar op je weg komt, en die zegt je hoeft niet te geloven zoals ik doe, maar brood heb ik voor je, of troost heb ik voor je, en ik loop graag een stukje met je mee, zodat dat stukje van je weg misschien even wat minder zwaar is.

Een identiteit die op die manier vlees en bloed is van en handen en voeten geeft aan  het woord, aan die boodschap van bevrijding, die kenmerkend is voor het evangelie van Israël, die boodschap die kenmerkend is als de boodschap van de vreugdeboden van Sion. Groeien en geborgenheid geven horen daar dan op die manier bij. Groei en geborgenheid krijgen op die manier ook inhoud, want we waren ooit begonnen gemeente van Christus te zijn. En midden onder ons staat hij, dat woord, die mens, die dat woord gestalte gaf.

Als we dat niet zouden verlangen, als we dat angstaanjagende verlangen niet hebben, dan moeten we adventstijd maar overslaan. En die vinden we nu eigenlijk vanzelfsprekend. Ik hoop vanwege de inhoud. Amen

 

Orgelspel

Open ruimte

Gebeden

 

Lied van de Gemeente: Ga dan op weg

Ga dan op weg en laat hoop en verwachting je leiden,

ook al zijn pijn en verdriet door geen mens te vermijden.

Wees niet bevreesd, ga, en vertrouw op de Geest,

die je van angst zal bevrijden.

 

Ga dan op weg en ontmoet op je reis medemensen.

Geef aan een ieder al wat je jezelf toe zou wensen.

Dan onder ’t gaan zoek je de steun van de Naam

en overschrijd je je grenzen.

 

Ga dan op weg en schud af al je twijfels en zorgen.

Ga, en ontdek wat vandaag nog voor jou is verborgen.

Houd op het licht altijd je ogen gericht,

dat zal je kracht zijn voor morgen.

 

Laten we straks weer gaan van hier naar ons huis

getroost door de boodschap van Gods liefde

gevoed met de Geest van gemeenschap

om licht te zijn voor wie in duister leven

om verhaal te zijn voor wie aan het eind van hun verhaal zijn

om hoop te zijn voor wie geen hoop meer hebben

en om zelf troost te zijn voor angstig zijn of verdrietig

Laten we gaan naar het leven van morgen

om mens te zijn voor God en voor elkaar.

 

Zegenbede, lied van de gemeente:

Niemand kan alleen,

Heer, uw zegen dragen;

zegen drijft ons heen

naar wie vrede vragen.

Wat Gij schenkt wordt meer

naar gelang wij delen,

horen, helpen, helen, -

vruchtbaar in de Heer.

 

Vrede, vrede laat

Gij in onze handen,

dat wij die als zaad

dragen door de landen,

zaaiend dag aan dag,

zaaiend in den brede,

totdat in uw vrede

ons hart rusten mag.

 

Méér recente preken      (Sluit de pagina om terug te keren)