
Een woord vooraf
Een vermaning, wat wordt hiermee bedoeld ?
Het woord horen noemen en zelf van Menniste (doopsgezinde) huize te zijnde,
klinkt het woord mij niet zo vreemd in de oren.
Is dat het woord dat in een kerkdienst tot mij gesproken wordt of de persoon,
die de woorden uitspreekt of het gebouw waarin ik mij bevindt?
Dat zijn drie begrippen, maar hoe horen die elkaar.
De etymologisch betekenis van het woord is veel breder dan ik had gedacht.
In 1992 schreef ik een artikel onder de naam: “Een Vermaning” in het
Doopsgezind Gemeenteblad, 14 daagse uitgave van Doopsgezinde gemeenten
Groningen en Haren.
In 2025 heb ik (S. Koorn) de gegevens bij elkaar gezocht en getracht
te verwoorden en proberen uit te leggen hoe dit in woord in gebruik is geraakt
bij de Doopsgezinden in Noord Nederland.
Herkomst van het woord
De basis van een woord vermaning is het werkwoord: vermanen.
Een oud-Nederlands woord met meerdere betekenissen.
In het “Woordenboek der Nederlandsche Taal” (WNT)[1] worden 6 groepen vermeld:
- het vermelden of bespreken van iets en daarvan verslag doen;
- het herinneren aan, dat geen wat de gedachte levendig houdt of opnieuw doet ontstaan;
- een verzoek, vraag of wens;
- bemoedigende of waarschuwende aansporing tot een zekere gedragslijn of houding;
- bevel, opdracht, eisch, formele aanmaning;
- aanmaning tot verbetering onder verwijt van een vroeger verzuim of eerder fouten, een berispende terechtwijzing.
In de 15e/16e eeuw kende men in de stad Brugge zelfs het ambt van vermaner. Hij was door de raad van Brugge aangesteld om de burger van die stad te herinneren aan de plicht om zijn achterstallige belasting alsnog te betalen.
De benaming voor de ambtenaar is verdwenen.
In België (de voormalige Zuidelijke Nederlanden) heet de geringste straf in het leger nu , anno 2025, nog steeds “een Vermaning”.
De overige betekenissen van het woord vermanen, zijn bijna geheel uit de Nederlandse taal verdwenen, alleen het begrip: “Aanmaning” in gebruik als woord bij de Nederlandse belastingdienst, is blijven bestaan.
Dan het zoeken naar het woord gebruik in de bijbel.

Lezende in de Bijbel – afhankelijk van de vertaling, die men leest – komt men dit woord vermanen en vermaning op diverse plaatsen tegen.
In de Concordans op de Bijbel van Trommius[2], noemt drie keer het woord “vermanen” in
het Oude Testament en vijftig keer in het Testament.
Het woord “vermaning” wordt tien keer genoemd in het Nieuwe Testament.
Enkele van deze teksten hebben invloed op latere naamgeving van enkele conservatieve groepen onder doopsgezinden in de noordelijke Nederlanden.
In de vijftiende eeuw is er politieke wrijving tussen de diverse groepen in Europa. ieder probeerde zoveel mogelijk macht te verzamelen.
Er is kritiek op de Katholieke kerk en de manier het waarop het geloof aldaar gestalte werd gegeven.
Maarten Luther liet zijn stellingen drukken, maar de gewenste discussie kwam maar niet op gang. Daarom spijkerde op 31 oktober 1517 zijn 95 stellingen aan de deur van de kerk te Wittenberg.
In Zurich nam Huldrych Zwingli het voortouw om de kerk te Hervormen. Hij publiceerde op 19 oktober 1523 zijn 67 stellingen, die stelden in wezen een grotere hervorming van de maatschappij voor dan die Luther beoogde.
Daarnaast zijn we ook geruchten, dat het einde van de wereld nabij is. Het bijbelboek Daniël wordt daarbij meestal geciteerd.
Naar aanleiding hiervan schreef Melchoir Hoffman in 1526 een kort artikel : “An de gelöfigen versambling inn Liflant ein korte formaninghe, van Melchior sich tho wachten vor falscher lere de sich nu ertzeitghen unde inrithen, under der Sthemme götiker worde/ Melchior Hoffman, [S.I], 1526][3]
In Oost-Friesland was in 1528 Graaf Edzard I der Grosse] overleden zijn zoon Graaf Edzard II, volgde hem op en hij had een geheel ander karakter.
Op grond van de Lutherse stelling [1525] : “Diens heer diens godsdienst”, moest hij de taak van god overnemen, die vóór die tijd toebehoorde aan de priester. Die taak moest dan maar worden overgenomen door de “wereldlijke heer in dat rechtsgebied”.
Op grond daarvan meende Graaf Edzard II het recht te hebben op alle kerkelijke eigendommen. Hij confisqueerde [“raubte”] de kerken- en kloostergoederen in Oost-Friesland. Met deze gelden bouwde hij een jachtslot voor zich zelve.
Hij stelde de Zwingliaanse – en de Lutherse kerkorde buiten werking. Hierdoor kreeg hij ruzie met de lutherse kerkleiders en de Landgraaf van Hessen. Intussen hadden de Lutherse- en Zwingliaanse kerkleiders binnen zijn graafschap ruzie met elkaar over de viering van het Avondmaal.
Er moest volgens graaf Enno één nieuwe eigen kerkverordening komen voor de gehele Grafschaft Ost-Friesland.
Door de confiscatie van de kerkengoederen waren de kerken in de stad Emden geheel financieel afhankelijk geworden van de Stadtsrat von Emden.
In deze ontregelde samenleving predikte Melchior Hofmann de ideeën van de wederdopers en zijn eigen, die van de spoedig komst van het Duizend-jarig rijk. (zie Openbaring 20 : 1-6). Hij doopte 300 personen in de Geerkamer van de Grote kerk van Emden.
Voor hij weer op reis ging, stelde Jan Trijpmaker als opvolger aan.
In december 1531 bezocht in het geheim de stad Straatsburg. Daaraan volgend bracht bezoeken aan de jonge door zijn prediking ontstane gemeenten in de Noordelijke Nederlanden. Op grond van een profetie van een oude man keerde hij in 1533 openlijk terug naar Straatsburg. Zijn theologie werd door leidende kerkhervormers opnieuw beoordeeld en afgewezen. Maar er stond nog een arrestatiebevel open. Hij werd gevangen genomen. Blijmoedig en in de volle verwachting over zijn spoedige verlossing door de komst van het op handen zijnde “Duizend-jarig rijk” ging hij de kerker in, waar hij in 1543 stierf.
De plaatsvervanger Jan Trijpmaker, de opvolger van Melchior Hoffman, vertrouwde de situatie in Emden niet langer en vluchtte naar Amsterdam. Daar werd hij gevangen genomen en overgebracht naar ’s-Gravenhage. Hier werd hij berecht , veroordeeld en in december 1531 ter dood gebracht.
De jonge beweging van wederdopers hadden nu niemand meer die leiding gaf. Jan Matthijs uit Haarlem en Jan Beukelsz uit Leiden, beide rederijkers, namen deze taak op zich.
Zij legden bij de prediking meer het accent op de spoedige komst van het “Duizend-jarig Rijk”. Door de slechte economische toekomst was hun invloed zeer groot.
Holland en Zeeland hadden te kampen met overstromingen, in het gehele land waren misoogsten in de jaren 1531 – 1533. Verder lag de invoer uit de Oostzeelanden lag stil vanwege ten gevolge van een Deense oorlog. De Sont tussen Denemarken en Zweden was gesloten met als gevolg werkeloosheid onder de zeelieden en de geringe afzetmogelijkheden voor de handel. Deze factoren beïnvloeden elkaar en brachten honger, armoede oproerigheid in Holland zich mee.
Jan Matthijs zond naar bijbels voorbeeld 12 apostelen uit, die in groepjes van twee, het nabije Godsrijk moesten aankondigingen. Wie door de prediking tot bekering kwam, werd gedoopt.
In 1532 publiceerde Michael Stifel – toen wonende in Anna Burg ten noorden van Leipzig- anoniem zijn Ein Rechtbuchlin vom Endchrist Apocalyps in Apocalypsim
(Een rekenboek over de Antichrist. Een Openbaring in de Openbaringen)[4].In dit werk voorspelde hij dat de dag des Oordeels en het einde van de wereld om 8 uur ’s-morgens zou plaatsvinden op zondag 19 oktober 1533.
Toen deze voorspelling niet uitkwam, lieten boze en geruïneerde gelovigen hem arresteren. Hij zat vier weken vast. Daarna werd hij vrijgelaten en onthield hij van dit soort voorspellingen.
Zijn bevindingen en teleurstellingen bereikten de “Nederlanden” niet.
In 1533 schreef Bernard Rothman als leidende evangelische kerkhervormer in de stad Münster : “Betekenissen van beyden Sacrementen, Doepe unde Nachtmaele der predicanten tho Münster”. Op 8 november 1533 was dit geschrift gedrukt op pers in zijn eigen huis. De stadraad liet de pers in beslag nemen, maar de oplage was niet meer aanwezig. In dit geschrift werden verschillende begrippen uitgelegd , o.a. het begrip Vermaning.
Intussen werd de invloed van de wederdopers steeds groter. De mare – het gerucht ging verder, dat het einde der wereld was en dat het Nieuwe Jeruzalem gevestigd zou worden in Münster. Daarvan was menigeen overtuigd, Zendbrieven werden verspreid. Deze mare – roep – deed menigeen van heinde en verre afreizen naar Münster.
De inwoners van de stad Münster, die niet mee wilden doen, werden de stad uitgedreven. Op 5 januari 1534 liet Bernard Rotman zich wederdopen en gaf spoedig leiding aan de Anabaptisten binnen Münster. Eind februari kwamen Jan Matthijs uit Haarlem en Jan Beukelsz uit Leiden aan in Münster.
Bij een uitval ter verdediging van de stad Münster kwam Jan Matthijs uit Haarlem op 5 april 1534 om het leven. Onder leiding van Jan Beukelsz uit Leiden gaat het leven in de stad Münster verder. De stad viert feest, want de aanwezigen behoren bij de 144.000 uitverkorenen. (Openbaringen 14, vs. 1-5). Ongehuwde vrouwen zorgen niet voor vermeerdering van het nageslacht, moesten daarom dus trouwen. Aangezien er meer ongehuwde vrouwen in de stad waren, kreeg je, dat één man getrouwd was met meerdere vrouwen. Hoe sneller het getal van 144.000 bereikt zou zijn desto eerder zou einde vervuld worden.
De verdreven Prins-Bisschop Frans van Waldeck van Münster was intussen woede geworden, want hij had zijn stad overgeven aan de hervorming onder leiding van Lutheranen, maat niet aan degenen die nu in zijn stad feest vierden. Hij verzamelde een troep soldaten en kreeg hulp van iemand uit de stad, die aangaf waar de zwakke plekken zaten in de verdediging zaten, veroverde Prins-bisschop Frans van Waldeck zijn stad Münster op 25 juni 1535 terug.
De leidinggevende van de wederdopers werden ter dood gebracht en zij die nog konden ontvluchten, keerden teleurgesteld huiswaarts.
De verzamelde Wederdopers in Münster waren in de veronderstelling, dat zij werkelijk God eigenhandig te konden helpen en waren in de volle verwachting van de komst van het einde der tijden die nabij was en hierbij negeerde men de mededeling genoemd in de rede over de laatste dingen (Matth. 34: vs. 1-51) en in het bijzonder Matth. 24: vs. 36: Doch van dien dag en ure weet niemand ook de engelen der hemelen niet, ook de Zoon niet, maar de Vader alleen” – is de verslagenheid groot, ook onder allen die niet mee waren gegaan.
Menno Simons was een priester in Witmarsum in de provincie Friesland. hij was teleurgesteld in zijn opleiding tot priester, had kennis genomen van de berechting van de wederdoper Sikke Freerks, die op 20 maart 1531 in Leeuwarden ter dood werd gebracht. Sikke was door Melchior Hoffman in Emden gedoopt. Verder had Menno zijn broer verloren, die in april 1535 deel nam aan de bezetting van het Klooster Bloemkamp (Olde Clooster) onder Bolsward in het kader van de komst van Godsrijk op aarde.
Zelve had hij van een marskramer een bijbel gekocht. Iets wat geheel tegen de regels van de toenmalige Roomse Kerk was.
Over het lezen daarin zegt hij zelve: Ik was nog niet ver daarin gekomen en voelde mij te kort gedaan in mijne opleiding.
Op 30 januari 1536 verliet de (Roomse) kerk en vluchtte naar Oost-Friesland. Daar werd hij in dat zelve jaar nog gedoopt.
Hervorming in Nederland
Een groep van 6 a 8 Obbenieten, volgelingen van Oudste Obbe Philips, zochten Menno Simons op en vroegen in januari 1537 hem, om de leiding op zich te nemen. Een moeilijke taak, want de ideeën van Münster waren nog niet uitgestorven en de Overheid wenste gene herhaling.
Onder Menno Simons invloed keerde men terug naar de oorspronkelijke ideeën van de Anabaptisten.
Tezamen met Dirk Philips. de jongere broer van Obbe Philips, koos Menno voor een strakke gemeente opbouw. De structuur leek in vele opzichten op de structuur van de Kerk, die men verlaten had. Woorden, die associaties opwekten met de zojuist verlatene Kerk werden vermeden. Nieuwe benamingen werden gekozen uit de Handelingen en Brieven in het Nieuwe testament.
De “Oudsten” (leiders) moesten naar bijbels voorbeeld rondreizen en de gemeente regeren. Zij waren ook belast met de tucht, de ban, de bediening doop en Avondmaal. De lokale dienaren waren personen gekozen uit de gemeente om in de dienst in woord (preek) voor te gaan. Zij werden genoemd : “vermaner” en hadden geen recht op de bediening van doop en Avondmaal. Verder waren er nog diakenen in de gemeente ter verzorging van de armen.
Het woord Vermaning kreeg echter voor de Doopsgezinden in de Noordelijke Nederland ook nog een ander betekenis.
Bij de interne strijd over het ideaal van de zuivere gemeente, zoals deze genoemd werd in de “Broederlijke Vereniging van de ettelijke kinderen Gods over zeven punten”, verdeelden Menno’s volgelingen in daaraan volgende decennia in verschillende stromingen.
In de gemeente Emden, waar Leenart Bouwens voorging als Oudste, woonden een echtpaar Swaen en Rutger. Aan Swaen werd gevraagd om te scheiden van haar man Rutger, omdat die zich net voldoende hield aan de door de gemeente ingestelde regels. Maar Swaen weigerde dat te doen.
Er ontbrandde een interne strijd los over het ideaal van de zuivere gemeente en de toepassing van de strenge ban en echtmijding boven de huwelijkstrouw.
Echtmijding wanneer één der echtgenote(n) niet langer samen wonen of omgang met elkaar hebben. De gebannene moest ook door de andere gemeenteleden gemeden worden.
Op een vergadering van Oudste in 1557 in Harlingen kwam het tot een scheuring. jan Jansz Scheedemaker, één van de Oudsten uit Emden aanvaardde het principe van echtmijding niet en werd daarom gebannen. Op verzoek van zijn aanhangers vestigde hij zich in Broek in Waterland in de provincie (Noord)Holland. Na enige tijd werden zij “Waterlanders” genoemd. Dit geldt ook voor groepen elders in den lande, die het zelfde principe waren toegedaan.
In 1566 ontstond in Franeker onenigheid over de zogenoemde Ordonnantie van Egbert Kuipers. In Friesland was in 1551 een meer algemene regeling (verbond) ter regeling van allerlei gemeente zaken ontstaan. Deze zou geschreven zijn door Egbert Kuipers. De regeling was gesloten tussen de vier steden Harlingen, Franeker, Leeuwarden en Dokkum. Andere gemeenten sloten zich later hierbij aan. De ordonnantie zou hebben bestaan uit 19 Artikelen[5].
Jeroen Tingieter, (een Vlaamse vluchteling en vermaner), die ijverde voor afschaffing van deze ordonnantie. De instructie. die de bijbel gaf, waren toch genoeg. Het overleg van Jeroen Tingieter en Laurens Verniers met Ebbe Pieterszoon, dienaar te Harlingen over opheffing van de ordonnantie leidden tot heftige meningsverschillen. Argumenten en verwijten klonken over en weer. De autochtone Franekers waren in het algemeen niet voor afschaffing. Het geschil werd voor gelegd aan een Commissie bestaande uit Jan Willemsz en Lubbert Gerrits, beide uit Hoorn.
In de Broederschap werden in die tijd vele gesprekken gevoerd over de inrichting van de gemeente, Bij zo’n gesprek in Emden op 1 februari 1567[6] deed de commissie van arbitrage uitspraak over de ruzie in Franeker ontstaan tussen autochtone Friezen en Vlaamse vluchtelingen.
Aan het einde van de verzoeningsprocedurelagen vier leidinggevende op hun knieën geknield de bank. De bank had in die tijd de functie van preekstoel. Er werd een gebed uitgesproken. Na het gebed stonden de Friezen na enige tijd op langzaam weer op. DE Vlamingen wilden hun voorbeeld volgen: “niet alzoo” klinkt het van de stoel van de voorzitter, zoo is onze mening niet; uit u zelven gij niet opstaan, maar aangezien zwaarder gezondigd hebt dan de anderen, moet gij geknield blijven, totdat wij u met de hand hebben opgericht.
’t was alsof er een bliksemstraal neerschoot. Iedereen sprong vrijwel gelijktijdig op.
Lag de schuld van de ruzie dan toch bij de Vlamingen.
Over de partijdigheid van de Commissie barstte toen de ”gehele” Broederschap – zonder de Waterlanders, die zich reeds in 1557 hadden afgescheiden – in tweeën.
Na 1 februari 1567 kan men uit de namen dan ook weinig meer afleiden over de etnische herkomst van haar leden.
In plaats van de verzoeningspoging, die eenheid zou scheppen, leidde deze handeling tot nog meer verbanningen van personen en nog grotere verdeeldheid.
Vele gemeenten in Holland, Groningen, Overijssel en Oost-Friesland kozen de zijde van de Vlamingen.
De benamingen van Vlamingen en Friezen zijn nu partijnamen geworden.
Twintig jaar later had in 1587 had Thomas Bintgens, een leraar van een gemeente te Franeker, een huis gekocht[7]. Was deze koop wel of niet met steekpenningen geschied? De ruzie over de handels wijze bij de aankoop leidde tot een scheuring in de stroming der Vlamingen.
Ze werden voortaan Jonge – en Oude Vlamingen genoemd.
Vele van de gemeenten in Groningen kozen – hoewel ze conservatief waren- de zijde van de jonge Vlamingen.
De broederschap raakte verdeeld in liberale en conservatieve geloofsstromingen.
Bij Liberalen (rekkelijken), Waterlanders en (Jonge) Vlamingen de Oudsten genoemd : Opziener of leraren in het vollen ambt en de lokale woordvoerders in de dienst: leraar. Dit onderscheid verdween vrij spoedig en mocht iedere leraar ook doop en Avondmaal doen.
Bij de conservatieve groeperingen: Groninger Oude Vlamingen, Dantziger Oude Vlamingen hield men vast aan de eerder gekozen benamingen van Oudste en Vermaner.
De oudste was belast met tucht, Doop- en Avondmaal, de vermaners mochten voorgaan in de gewone dienst. Dit onderscheid werd pas in 1749[8] in de vergadering der Groninger Sociëteit opgeheven. De naam van de Oudste werd gewijzigd in Algemeen Opziener. Hun voornaamste taak bleef wel: het oefenen van toezicht op het geloof en leven van de leden van de gemeenten en hunne leraren.[9]
Plaatsen van samenkomst (vergaderinge)
In het begin kwam men, ondanks het vervolgingsgevaar, bij elkaar in het open veld, schuren, kelders e.d.. Men hield terdege rekening met de lokale politieke situatie.
In de tweede helft van de 17e eeuw werden ze sommige plaatsen gedoogd.
Het gebeurde ook dat een rijk lid – met invloed op het economische leven van zijn stad of dorp – een vermaning op zijn eigen terrein liet bouwen. Dit was o.a. het geval in de stad Vlissingen. Daar kwam men samen op het terrein van één van de burgemeesters van de stad. Burgemeesters. ambt was een neven functie naast andere economische activiteiten. Dan was het moeilijk voor de “Gereformeerde c.q. Hervormde dominees” om bezwaar te maken activiteiten van de doopsgezinden, want zij waren soms zelf ook mede afhankelijk van die zelfde burgemeesters. Vele jaren later, soms pas na enige generaties, werd het gebouw dan in eigendom geschonken aan de gemeente.
De Hervormde predikanten zagen op vele plaatsen de groei van de Doopsgezinde gemeenten met lede ogen aan en probeerden via de Overheid, dit tegen te gaan. Zo ontstond de eis dat het gebouw onopvallend moest zijn en niet mocht gelijken op “hunne Kerkgebouwen – in vele gevallen voormalige katholieke kerkgebouwen.
Geen probleem, de leden waren sinds jaar en dag gewend om allerlei plaatsen samen te komen. Een eenvoudig gebouw, enigszins achteraf gelegen, was meer dan genoeg. Om de vermaning te vinden, geeft nu zelf nog wel eens problemen bij kerkbezoek voor leden van buiten de gemeente.

Afbeelding van de Doopsgezinde kerk te Pingum (Fr).
De leden uit de 17e – 19e eeuw spraken over hun vermaning. De begrippen van vermaning als in het begin genoemd, de functie van vermaner en het gebouw vloeiden tot één geheel samen. Het begrip is oorspronkelijk uit de conservatieve hoek, later vervaagde het onderscheid tussen conservatief en liberaal, maar in het spraakgebruik bleef het woord vermaning.
In Noord-Holland, Friesland en Groningen werden/worden de gebouwen nog steeds genoemd, vermaanhuis, vermaning of formanje.
De overdracht van het woord ging verder.
Vermanje, Jan Tjerks, geboren te Zwartveen[10] (gem. Smallingerland) of te Rottevalle[11]? (welke gemeente?), [Midlum bij Harlingen][12] [Knijpe][13] op 26 september 1743[14], deed belijdenis en werd gedoopt op 23 januari 1766[15], overleden op 17 december 1829 te Den Horn (gemeente Aduard), [begraven op het kerkhof van Lage Meeden – geen grafzerk aanwezig], zoon van Tjerk Gaukes (* ? – overleden 26 jan. 1758[16], plaats Zwartveen[17] ) en Hiltje Meines (* ? -overleden 22 dec. 1763[18] te Zwartveen[19] ). Hij is in ondertrouw gegaan voor het Gerecht te Leeuwarden op 23 augustus 1766[20] alsmede afkondiging in de Hervormde Kerk te Leeuwarden op 7 september 1766[21]
Hij is getrouwd op 14 september 1766[22] te Rottevalle met Aeltjie Lourens, gedoopt te Beetsterzwaag in de hervormde gemeente Beetsterzwaag op 26 augustus 1742[23] en heeft belijdenis gedaan in de Doopsgezinde gemeente Witveen-Rottevalle en is herdoopt op 26 januari 1769[24], overleden op 3 mei 1813[25] te Lege Meeden (gemeente Aduard), dochter van Louwerens Ritskes en Janke Douwes.
Uit dit huwelijk zijn kinderen geboren:
1. Louw Jans (Vermaning genoemd in 1811), geboren ca. 1769 geboorteplaats ?
2. Hiltje Jans Vermanje, geboren ca. 1770, geboorteplaats ?
3. Janke Jans Vermanje, geboren ca. 1773, geboorteplaats ?
4. Renske Jans Vermanje, geboren 14 juli 1781 te Rottevalle
5. Auke Jans Vermanje, geboren ca. 1782 te Rottevalle
6. Klaaske Jans Vermanje, geboren 10 mei 1784, geboorteplaats ?
7. Fenna Jans Vermanje, geboren ca. 1789, geboorteplaats ?
Beroep: boerenknecht, leraar van de Doopsgezinde gemeente Witveen-Rottevalle, 15 oktober 1768[26] – 6 juni 1784[27], Beneden-Knijpe en Mildam, juni 1784 – november 1799, den Horn gem. Aduard, 10 november 1799 – 17 december 1829.
Jan Tjerks was knecht bij Jeen libbes. Jeen was boer, die tevens lekenprediker was in de doopsgezinde gemeente Witveen-Rottevalle.
Het dorp Rottevalle is ontstaan aan beide kanten van het riviertje De Lits en lag in 3 grietenijen: Tietjerksteradeel, Achtkarspelen en Smallingerland.
In 1743 kocht Jeen libbes in Rottevalle een perceel van de kerkvoogden van de Hervormde gemeente Oostermeer, liggende in de grietenij Tietjerksteradeel met het recht daarop een kerkgebouw mogen plaatsen.
Het hoogveen in de omgeving van Witveen is rond 1740 – 1760 bijna geheel afgegraven. De aandacht ging daarna uit naar de vervening van het laagveen. De werkwijze geschiedde volgens “Gieterse methode”. Een deel van deze verveners waren inderdaad afkomstig uit Giethoorn en hadden ook deze werkwijze in Friesland geïntroduceerd. De doopsgezinden onder hen werden lid van doopsgezinde gemeente Witveen, maar gingen wonen in Rottevalle. De afstand tot de vermaning op het Witveen is slechts 1200 meter, maar in het voorjaar en najaar kon men vanwege het opgestuwde water de vermaning op het Witveen, die nauwelijks met droge voeten bereiken. In 1769 bouwde Jeen Libbes na aandrang uit de gemeente op genoemd perceel een “hulpkerk” in Rottevalle.
Jan Tjerks was knecht bij Jeen Libbes. Samen spraken die niet alleen over het werk op de boerderij, maar ook over kerkelijke zaken. Jan Tjerks had geen onderwijs gehad. Hij kon niet lezen noch schrijven. Jeen libbes vroeg hem om toch één keer voor te gaan in een dienst[28]. De eerste preek werd door de gemeente gewaardeerd.
Door zijn eenvoudige stijl van preken werd hij vaker gevraagd. Waarschijnlijk werd hij in 15 oktober1768 verkozen tot leraar[29].
Op 6 juni 1784[30] nam hij afscheid van de Doopsgezinde gemeente Rottevalle-Witveen en vertrok naar de in de sinds 1765[31] gecombineerde gemeente Beneden-Knijpe en Mildam.
Daarnaast bestond er op Boven-Knijpe ook nog een groeiende iets liberale Doopsgezinde gemeente.
Voor de gemeente Beneden-Knijpe was het de eerste keer dat zij iemand van buiten de gemeente beriepen. Er was geen pastorie beschikbaar, dan maar wonen in de kamer van de Vermaning.
Nb. wij zouden zeggen kerkenraadskamer.
Er kwamen steeds minder leden in de conservatievere gemeente Beneden-Knijpe in de dienst. Op 26 december 1791 werd de laatste dienst in de vermaning in Beneden Knijper gehouden. Het gebouw was reeds verkocht[32].
In de advertentie werd mede gedeeld:
Een hegte Huizinge aldaar met extra ruim, sterk en wel betimmerd Vermaanhuis der Oude Vlamingen, zynde zeer geschikt tot het Exceren van allerlei Frabricquen”
Locatie OV. Vermaning in de Beneden-Knijpe – [bij benadering aangegeven]
Jan Tjerks verhuisde naar Mildam.
Reconstructie van Mildam:
Locatie van de Vermaning in Mildam met perceelsnummer sectie A nr. 405 in vorm en grijs aangegeven.

In de dorpen Knijpe en Mildam sprak men over hem als Jan Tjerks Vermanje[33]
Na het vertrek van Volkert Klazes Klosma in de Doopsgezinde gemeente Den Horn in mei 1799 kwamen er in de periode 19 mei – 15 september 9 leraren (vermaners) één of meer preekbeurten vervullen. Jan Tjerks kwam op 9 juni – de zondag na de Sociëteitsvergadering en op 11 augustus 1799.
De gemeente Den Horn vroeg aan Jan Tjerks om te komen als hun leraar. Hij aanvaardde het beroep.
Hij begon op 10 november 1799 met zijn werk in de gemeente te Den Horn.
Op 3 mei 1813 overleed zijn vrouw Aeltje Laurens en op 10 september 1815 hertrouwde hij met Attje Jacobs Groeneveld. Hij ondertekent de huwelijksakte met de letters J. T. V.
In het laatst van zijn leven, toen hij niet meer kon lopen, werd hij naar de preekstoel gedragen en preekte zittende. Stoppen met zijn werk in de gemeente kon niet, want dan was hij geheel zonder inkomsten. Van de geringe verdienste had hij ook niet kunnen sparen.
Op 6 november 1829 diende de kerkenraad bij het Ministerie van Eeredienst[34] een Rekest [officieel verzoekschrift] in om in aanmerking te komen voor emeritaatsondersteuning. Op 26 februari 1830 bij Koninklijk Besluit n° 131 toegekend, groot 300,- gulden.
Helaas heeft hij er niet meer van kunnen genieten.
Intussen diende de kerkenraad in verband met dit overlijden van Jan Tjerks nog een Rekest in om de subsidie ten behoeve van de weduwe Attje Jacobs Groeneveld te mogen behouden. Dit werd toegestaan voor een bedrag van 150 gulden ’s-jaars. Zij heeft tot haar overlijden op 18 oktober 1844 hiervan gebruik kunnen maken.
Anderen van deze zelfde familie, zijn Mildam en omgeving blijven wonen en hebben in 1811 de achternaam Vermaning aangenomen.
Misschien een beetje gedwongen, want volgens ambtenaren van de Burgerlijke Stand in die omgeving moesten de achternamen “Hollands” klinken.
Dit verschijnsel heb ik niet in de provincie Groningen niet aangetroffen.
In de Burgerlijke Stand in de provincie Groningen werden in de periode 1811 – 1902 11 huwelijken met de achternaam Vermanje gesloten.
Volgens de Volkstelling van 1947 waren er inde provincie Groningen geen personen meer met de achternaam Vermanje.
De achternaam Vermaning werd in 1947 in het gehele land 170 keer geteld, waarvan 76 in de provincie Friesland. Van deze 76 personen woonden er in de gemeente Doniawerstal 17, Haskerland 47 en Heerenveen 7.
De achternamen Vermanje en Vermaning zijn in beide provinciën Groningen en Friesland te herleiden tot de stamvader Jan Tjerks Vermanje.
Velen van de leden in de doopsgezinde gemeenten in Noord-Holland, Friesland en Groningen noemen hum kerkgebouw nog steeds “Vermaning’’.
Wegen en straatnamen:
Het spraakgebruik leidde er toe, dat wegen en straten ook met die naam werden vast gelegd. De omschrijving van de achtervoegsels : “pad, steeg, glop” , daaraan toegevoegd, zeggen iets over waar de Vermaning stond of staat.
Lijst van straatnamen in Nederland :
Provincie Friesland
Formoanje Tzummarum 8851 RL Tzummarum
Fermanjepaad Damwoude 9104 GR Damwâld
Formanjestritte Gorredijk 8401 VK Gorredijk
Vermaning Surhuisterveen 9231 BH Achtkarspelen
Vermaningsweg Koudum 8723 BA Súdwest-Fryslân
Vermaningsstrjitte Berlikum 9041 BR Waadhoeke
Vermaningspad Nes 9163 JD Ameland
Vermaningssteeg Heerenveen 8441 GB Heerenveen
Vermaningssteeg Hindeloopen 8713 KR Súdwest-Fryslân
Vermaningssteeg Makkum 8754 EN Súdwest-Fryslân
Provincie Overijssel
Vermaningspad Giethoorn ———- Giethoorn
Provincie Noord Holland
Vermaningsstraat Krommenie 1561 AZ Zaanstad
Vermaningsstraat Koog aan de Zaan 1541 KD Zaanstad
Vermaningspad De Waal 1973 AK Texel
Vermaningspad Uitgeest 1911 ES Uitgeest
Vermaningssteeg Medemblik 1671 BE Medemblik
Vermaningssteeg Hippolytshoef 1777 GN Wieringen
Vermaningsglop Den Burg 1791 ES Texel
[benaming Kogerstraat 18, onbewoonde steeg naast de Doopsgezinde kerk]

Niet overal ging de vaststelling van de even geruisloos.
De Discussie over de Vermaningssteeg in Heerenveen.
Lopende van “Lindegracht” in ongeveer noord-westelijkrichting langs de Doopsgezinde Kerk naar de “Kerkstraat”.
Besluit naamgeving dateert uit 1953 (geen officieel besluit van de Raad).
De wel 250 jaar oude naam “Vermaningssteeg” werd blijkens een briefje van de directeur van 16 april 1953 door B&W gewijzigd in Vermaningsstraat.
Bij officieel besluit van 21 december 1959 werd de naam Vermaningssteeg in ere hersteld.
Op oude kaarten komt deze straat ook voor onder de naam “Kerkstraat”.
Over de naamswijziging van “steeg’’ in straat schreef D.M. van der Woude in de Friese Koerier van 26 juni 1953 onder meer: Deze wijziging getuigt niet van piëteit jegens de historie van dit dorp.
Al het ze nu straat, het is en blijft ten eeuwigen dage een steeg. Amsterdam en Leeuwarden bijvoorbeeld zeker bredere en langere stegen. Bovendien klinkt deze naam niet. De Doopsgezinden in vroegere tijden hebben veel te lijden van de ketterjacht.
Later echter werden ze geduld. Want door vlijtige arbeid en spaarzaamheid vergaarden ze behoorlijk kapitaal. Het waren rustige burgers en velen geriefden de Overheid wel met leningen. Ze werden geduld, maar ze mochten hun kerkjes niet áán de straat bouwen. Alleen achter een andere woning of in een steeg, of als gecamoufleerd woonhuis, waardoor de zogenoemde schuilkerken ontstonden.
Bekend zijn Pingum, Grouw, maar ook de Singelkerk te Amsterdam is een schuilkerk.
De straatnaamcommissie schreef in haar advies[35] van november 1959: Dit betoog, heeft grotendeels onze instemming en wij adviseren U het gesuggereerde herstel van de zo karakteristieke naam “Vermaningssteeg” in ernstige overweging te nemen.
Bij officieel besluit van 21 december 1959 namen B&W van Heerenveen het advies over.
Deze “Menniste” vermaning is afkomstig van Douwe Miedema (schuilnaam D.M. van der Woude), journalist o.a. bij de Friese Koerier en lid van de Doopsgezinde gemeente Heerenveen.
SKn.02022026
[1] Woordenboek der Nederlandsche Taal, 1986, Martinus Nijhof, Leiden; (http://gtb.inl.nl
[2] Trommius, Abraham, Nederlandse Concordantie van de bijbel, dertiende grondig herzien en veel vermeerdere druk, 1971, J.N. Voorhoeve, Den Haag.
[3] Zentralbibliotheek Zürich [https//www.e-rara.ch]
[4] Wikipedia, Michael Stifel (1487 – 1567)
[5] Blaupot ten Cate, deel Friesland, blz. 97, 108 e.v.
[6] Doopsgezinde bijdragen, 1893, blz. 47.
[7] Doopsgezinde Bijdragen (nieuwe Reeks) nr. 61 (2005), 33 -74.
[8] Inventaris van de Sociëteit der Groninger Oude Vlamingen, inleiding en inv.nr. 1
[9] Blaupot ten Cate Geschiedenis Doopsgezinden Groningen, Overijssels, Oost-Friesland, dl. 1, blz. 133, 135, 137, 160, dl. 2, blz. 159, 297.
[10] BS gemeente Aduard overlijdensakte d.d.18 dec. 1829/44, overleden op 17 dec. 1829, zie ook manuscript van DS. Jacob Huizinga, Verslag van den Staat gemeente aan Den Horn (gem. Aduard) opgemaakt in 1838 [archief van de Doopsgezinde gemeente den Horn, inventarisnummer 144]
[11] BS huwelijk gemeente Aduard, d.d. 10 sept. 1815/7: zie akte + huw. bijlagen
[12] Zondagsbode 1890, nr. 30, d.d. 18 mei: een redacteur interviewde Ds. Jacob Huizinga en maakt gebruik van zijn gegevens over de gemeente Den Horn uit 1838. Daarin staat: “Jan Tjerks Vermanje, afkomstig van Mildam in Vriesland, waar zijne ouders in de kerkkamer woonden (hierom Vermanje genoemd” Hieruit trok de redacteur de conclusie, dat Jan Tjerks geboren was in Mildam. Bij publicatie in Zondagsbode 1890, nr. 30 werden de letters in Mildam verwisselt en kwam er “Midlum” te staan.
Op de volgende bladzijde in het manscript staat duidelijk geschreven, dat “Jan Tjerks geboren is in Swartveen bij Witveen” Aantekeningen Ds. Jacob Huizinga, die predikant was te Den Horn, 1834 – 1844, zie archief van Den Horn, inv.nr. 144.
De aantekening van Ds. Jacob Huizinga: “waar zijne ouders in de kerkekamer woonden”, is fout, want de ouders waren reeds in 1758 en 1763 overleden in de omgeving van Rottevalle. Jan Tjerks woonde zelve in de vermanje van Mildam.
[13] Nieuw Nederlands Biografisch Woorden. 1914, deel 3, blz. 1295
[14] BS huwelijk gemeente Aduard, d.d. 10 sept. 1815/7: zie akte + huw. bijlagen
[15] Doop- trouw- en begraafboeken (DTB. 633) – ledenregister 1737-1850, aantekeningen o.a. van Jeen Libbes overgeschreven in het jaar 1771, zie inventaris nummer 27 van de Doopsgezinde gemeente Rottevalle-Witveen
[16] BS huwelijk gemeente Aduard, d.d. 10 sept. 1815/7: zie huw. bijlagen
[17] BS gem. Aduard 1829/44 wordt Zwartveen vermeld als overlijdensplaats van de ouders, op welke bron is op is deze registratie bezeerd?
[18] BS huwelijk gemeente Aduard, d.d. 10 sept. 1815/7: zie huw. bijlagen
[19][19] BS gem. Aduard 1829/44 wordt Zwartveen vermeld als overlijdensplaats van de ouders, op welke bron is op is deze registratie bezeerd?
[20] DTB.nr. 912 Ondertrouw Gerecht te Leeuwarden, 1762-1775
[21] DTB.nr. 595, trouwregister NH. Kerk te Leeuwarden, vertrokken met attestatie naar Ned. Hervormde gemeente. Rottevalle
[22] DTB.nr. 630, Trouwboek NH. Rottevalle, 1724-1811
[23] DTB.nr. 555, Doopboek Ned. Herv. Kerk te Beetsterzwaag, 1680-1811
[24] DTB.nr. 633, ledenregister van de Doopsgezinde gemeente Rottevalle-Witveen, ca. 1737 – 1850, blz. 34
[25] BS gemeente Aduard, 1813/14, aangifte op 4 mei 1813
[26] Archief van de Doopsgezinde gemeente Den Horn, inventarisnummer 144
[27] Archief van de Doopsgezinde gemeente Rottevalle-Witveen, inventarisnummer 27: ledenregister
[28] Manuscript van DS Jacob Huizinga, dominee te Den Horn, gemeente Aduard, 1834-1844. Datum van het manuscript 1838: 15 oktober 1768. Zie archief van de Doopsgezinde Gemeente den Horn, inv.nr. 144.
[29] Archief van de Doopsgezinde gemeente Den Horn, inventarisnr. 144: Aantekeningen van ds. Jacob Huizinga,
[30] Doop- trouw- en begraafboeken (DTB. 633) – ledenregister van de Doopsgezinde gemeente Rottevalle-Witveen, ca. 1737-1850
[31] Archief van de Sociëteit der Groninger Oude Vlamingen, inventarisnummer 1
[32] Leeuwarder Courant 3 december 1791, pag. 8
[33] Manuscript van Ds. Jacob Huizinga, zie archief van Doopsgezinde gemeente Den Horn, inventarisnummer 144, pagina 10 onderaan: Jan Tjerks Vermanje, afkomstig van Mildam in Vriesland. Waar zijne ouders in de kerkekamer woonden (hierom Vermanje genoemd). Dit is een denkfout van DS, Jacob Huizinga, want Jan Tjerks zelve woonde in de vermaning. Zijn ouders zijn resp. in 1758 en 1763 in de omgeving van Rottevalle reeds overleden en hebben nooit geweten dat hun zoon Jan Tjerks tot leraar (vermaner) werd verkozen.
[34] Ministerie van Eeredienst, ingesteld op basis van de Proclamatie van 1813 en de Grondwet van 1814. Wel kregen alle gezindten gelijke bescherming, maar om het protestantse karakter te bewaren, moest de vorst welde Christelijke Hervormde Godsdienst zijn toegedaan. Voor katholieken en Oud-katholieken werden apart Ministerie ingesteld met nog al wat beperkende bepalingen. Het ministerie verleende subsidie bij het bouwen van kerken mits degelijk gebouwd werden. Er moest een scheiding zijn tussen van de financiën van gebouwen en de diaconie. Ook aan de opleiding van predikanten werden eisen gesteld. De naamgeving van gemeenten werd gecontroleerd.
[35] http://www.heerenveen.nl/indexjsp?/object=28761